X / Noordhoff

Dit artikel is geschreven voor een opdracht aan de Rijksuniversiteit Groningen voor het vak Juridische Onderzoeksvaardigheden, dat ik heb afgerond met een negen. De opdracht betrof het schrijven van kritisch commentaar over een voorgeschreven uitspraak.

Inleiding X / Noordhoff

In dit document wil ik graag ingaan1 op de uitspraak die is gedaan in de zaak X/Noordhoff2. Voordat ik mijn mening geef wil ik eerst kort beschrijven wat speelt in de casus en welke overwegingen het Hof doet.

In onderhevige zaak is appellant, X, een wiskundedocent die een website in zijn bezit heeft. Deze website bevat hyperlinks naar uitwerkingenboeken die zijn gepubliceerd door de geïntimeerden, uitgevers Noordhoff en ThiemeMeulenhoff. De uitwerkingenboeken staan op servers van externe online opslagdiensten waar naar zijn eigen zeggen X geen toegang tot heeft. Appellant is echter meermaals op de hoogte gesteld door de geïntimeerden dat de website verwijst naar onrechtmatig geopenbaarde uitwerkingenboeken. In voorlopige voorziening is bepaald dat X dient te staken met de verwijzingen en deze dient te verwijderen. Hier heeft X in eerste instantie gehoor aan gegeven. Maar na het verstrijken van het termijn van een hoofdzaak is hij echter doorgegaan met verwijzen. Hierdoor hebben geïntimeerden X in eerste aanleg gedaagd primair wegens schending van het auteursrecht3 en indirect subsidiair wegens een onrechtmatige daad.4 Hierbij vorderen zij dat X blijvend de door geïntimeerden gegeven gedraging staakt op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Het Hof beantwoordt voor de uitspraak drie kernrechtsvragen. Allereerst, kan auteursrecht berusten op uitwerkingenboeken met wis- en natuurkundige vraagstukken in de zin van art. 10 Aw? Het Hof erkent dat dit mogelijk is doordat bij het maken van de boeken creatieve keuzen zijn gemaakt. Op de tweede vraag, of de hyperlinks een openbaring zijn volgens art. 12 Aw, antwoordt het Hof echter in het nadeel van de geïntimeerden. Doordat niet bewezen kan worden dat appellant de antwoordenboeken zelf heeft geüpload kunnen de verwijzingen niet als openbaring gezien worden. Tot slot bekijkt het Hof of de verwijzingen als onrechtmatig gekwalificeerd kunnen worden. Het Hof oordeelt dat het plaatsen van de hyperlinks in strijd zijn met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig. Om dit laatste is X dan ook veroordeeld.

Hoewel ik de equiteit onderken van het Hof, vraag ik mij allereerst af of het Hof wel lijdelijk genoeg heeft gehandeld met de bewijzen die een rol hebben gespeeld bij de tweede rechtsvraag. Daarnaast vraag ik mij af, hoe rechtens de overweging ook is, of het wel gewenst is dat hyperlinken de burger een onrechtmatige daad kan opleveren wegens in strijd handelen met de maatschappelijke zorgvuldigheid.

De lijdelijke rol van de civiele rechter & het bewijs

De rechter heeft binnen ons civiele recht een lijdelijke rol.5 Dit houdt onder meer in dat een rechter een bewijsopdracht6 kan geven. De bevoegdheid van de rechter omtrent het bewijs strekt zo ver dat hij ook een derde kan verplichten gegevens af te staan.7

In het geschil dragen de geïntimeerden twee bewijzen aan om aan te tonen dat X de uitwerkingenboeken op servers van de opslagdiensten heeft geplaatst. Allereerst voeren zij aan dat, blijkens de reacties van appellant in zijn gastenboek, hij enige mate van macht kan uitoefenen op de servers. Daarnaast heeft Noordhoff op anonieme wijze X specifieke uitwerkingenboeken toegezonden. Deze waren nog niet op het internet te vinden. Na enkele uren stonden deze online. Het verweer van X, zo onderkent ook het Hof, is mager. Hij pleit dat hij deze niet zelf heeft geplaatst. Appellant beweert dat hij de stukken heeft doorgestuurd naar een bekende, waarvan hij niet meer weet wie dit is maar wel van wist dat hij geïnteresseerd was in de uitwerkingenboeken. Daarbij is op miraculeuze wijze de e-mail naar deze bekende verdwenen, waarbij de e-mail van Noordhoff gewoon aanwezig is.

De rechter is van oordeel dat het bewijs van de geïntimeerden onvoldoende is om vast te stellen dat appellant de uploader is van de uitwerkingenboeken, ook al ziet iedereen dat het tegenargument van X niet deugt. In eerste aanleg is dan ook om meer bewijs gevorderd, welke Noordhoff naar eigen zeggen niet kon leveren. Doordat het bewijsaanbod van de geïntimeerden niet tot deze rechtsoverweging is gericht, is de rechter van mening dat Noordhoff niet meer bewijs mag aandragen.

Waar het voor mij waarschijnlijk is dat X de uploader is, oordeelt het Hof anders. Hoewel het Hof vrij staat bewijs te waarderen volgens art. 152 Rv, miskennen zij echter de betekenis “Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist, moet de rechter als vaststaand beschouwen, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen” van art. 149 Rv om twee redenen.

Allereerst stelt art. 149 Rv dat bewijs dat niet of slecht onaannemelijk wordt gemaakt als bewezen gezien dient te worden. Gelet op het verweer van X kan ik niet begrijpen dat het Hof het aangevoerde bewijs van Noordhoff als voldoende betwist acht. Het Hof onderkent zelf immers dat het verweer van X “weinig oprecht lijkt”. Volgens jurisprudentie8 dient in zo’n geval de partij met de ongeloofwaardige stelling nadere gegevens aan te voeren. Nu appellant heeft aangegeven dit niet te kunnen dient het pleidooi van de geïntimeerden omrent dit aspect als gegrond verklaard te worden.

Daarbij, zou het verweer van appellant als voldoende worden beschouwd, zoals in casu het geval is, dan heeft het Hof zijn lijdelijke rol verzuimd uit te voeren. Nu in art. 149 Rv “behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen” is opgenomen, had het Hof onder deze omstandigheden geïntimeerden om meer bewijs moeten vragen. Geïntimeerden hebben aangegeven dit niet te kunnen leveren in eerste aanleg. Meer bewijs, namelijk gegevens van de externe online opslagdiensten die kunnen aantonen dat X de uploader is, kan de geïntimeerde ook niet leveren. Althans, niet zonder hulp van het Hof. Het Hof kon deze gewichtige gegevens vorderen van de opslagdiensten. Gezien de rechter een waarheidsvinding functie heeft9 en gelet op het onbetrouwbare verweer van X met inachtneming van de lijdelijke rol van de rechter, had het Hof tot het geven van een bewijsopdracht moeten overgaan met toezegging dat zij open staan om de zojuist genoemde vordering tot gegevens te verwezenlijken.

Aldus behoort het Hof meer erkenning te geven aan het bewijs van Noordhoff. Dit zou de uitspraak mogelijkerwijs aangetast kunnen hebben. Misschien had men niet eens tot de derde kernrechtsvraag hoeven komen, welke ik hieronder zal behandelen.

Hyperlinks & maatschappelijke zorgvuldigheid

Om X te veroordelen van het plegen van een onrechtmatige daad maakt de rechter gebruik van een leer uit de oude doos, de “indirecte auteursrechteninbreuk”.10 Deze redenering stamt af van een arrest uit 195711, welke zijn oorsprong vindt in de onrechtmatige daad.12

Wat mij opvalt, is dat het Hof correct inziet dat een hyperlink geen openbaring13 kan zijn. Hoe kan een verwijzing naar een bron een openbaring zijn? Op geen enkele manier komt het materiaal ter beschikking14 door de hyperlink; deze ter beschikkingstelling gebeurt op de server waarnaar de link verwijst. Dit blijkt ook volgens eerdere rechtspraak.15

In beginsel leidt het in strijd handelen met de maatschappelijk zorgvuldigheid een onrechtmatige daad op. Wij juristen weten als geen ander dat uitzonderingsituaties mogelijk zijn. Ik acht het onjuist en onwenselijk dat een hyperlink onrechtmatig kan zijn en daarmee tot een uitzondering behoort om twee redenen.

Ten eerste, in beginsel kan er bij hyperlinken geen sprake zijn van een causaal verband welke vereist is voor een onrechtmatige daad. Volgens jurisprudentie dient in gevallen van causaliteitsonzekerheid de onrechtmatige daad met terughoudendheid getoetst te worden.16 Op basis van de condicio sine qua non leer kan je afleiden dat causaal verband mist. Hoewel een hyperlink kan bijdragen aan de schade, zou deze schade ook zonder de verwijzing plaats kunnen vinden. Daarnaast voldoet het niet aan de relativiteitsvereiste doordat de onrechtmatige daad in casu al gedekt behoort te zijn door een ander recht, namelijk het auteursrecht. Het is onwenselijk om op zulke wijze een gedraging als onrechtmatig te kenmerken als een ander recht dat het dient te beschermen faalt.

Daarnaast speelt informatievrijheid een grote rol. Het is bekend dat het auteursrecht en informatievrijheid op gespannen voet staan met elkaar.17 Maar op het gebied van internet, onze grootste bron van informatie18, behoort informatievrijheid te prevaleren, tenzij een ander fundamenteel recht zwaarder weegt.19 Het auteursrecht is geen fundamenteel recht.20 Voorts dient informatierecht dan ook te prevaleren tenzij de wet anders bepaalt.21 In onze codificatie is het auteursrecht opgenomen.22 Indien men zijn auteursrecht wil beschermen dient men dan ook beroep hier op te doen en niet op onrechtmatige daad doordat het recht op informatievrijheid fundamenteel van aard is. Het Duitse Bundesgerichtshof weet in het Paperboy arrest een goede nuance te brengen tussen wat gewenst en ongewenst hyperlinken is.23 Zij stellen dat een hyperlink essentieel is en slechts onrechtmatig wanneer de rechthebbende adequate technische beschermingsmaatregelingen heeft genomen.24

Kort samengevat is het ongewenst om een hyperlink onrechtmatig te kunnen verklaren wegens in strijd handelen met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Er is allereerst al geen causaal verband, de fundamentele informatievrijheid hoort over het algemeen te prevaleren en de hyperlink is ook een essentieel onderdeel van het internet. Het Hof dient daarom niet over te gaan tot kwalificatie van de gedraging als een onrechtmatige daad wegens in strijd zijn met de maatschappelijke zorgvuldigheid.

Conclusie X / Noordhoff

Kortom, er rammelt het een en ander aan de uitspraak. Hoewel ik het resultaat van het geschil positief vind, kan ik niet hetzelfde zeggen over de argumentatie. Ik acht dat het Hof onjuist is omgegaan met het bewijs en een ongewenste situatie creëert met het onrechtmatig verklaren van een hyperlink wegens in strijd handelen met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Hopelijk zal binnenkort uniformiteit geschapen worden omtrent dit onderwerp om zo meer duidelijkheid te geven.

Literatuurlijst

  • Asser/van Schaick 2011
    van Schaick, Asser Procesrecht deel 2, 2011/92.
  • Chavannes 2003
    Chavannes, Paperboy, Javi, december2003, nr. 6, te vinden op: http://www.chavannes.net/assets/Paperboy%20BGH.PDF (laatst geraaldpleegd op 15 mei 2015).
  • Hudenholtz 2003
    Hugenholtz, “Auteursrecht contra informatievrijheid in Europa”, “Van ontvanger naar zender” 2003, p. 157-174.
  • Remme Verkerk 2011
    Verkerk, “Burgerlijk procesrecht en ideologie”, “Netherlands Journal of Legal Philosophy” 2011, afl. 1, p. 6-30.
  • World Economic Forum 2014
    World Economic Forum, The Global Information Technology Report 2014, 2014, geraaldpleegd op: http://www3.weforum.org/docs/WEF_GlobalInformationTechnology_Report_2014.pdf (laatst geraadpleegd op 16 mei 2015).

Regelgeving en parlementaire stukken

  • Artikel 12, lid 1, sub 1, van de Auteurswet.
  • Artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  • Artikel 149, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  • Artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

Jurisprudentie

  • HR 31 januari 1919, NJ 1919, 161 (Lindenbaum/Cohen)
  • HR 8 maart 1957, NJ 1957, 271 (Buma/De Vries).
  • HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0664, NJ 1992, 713 (Van der Meulen/Hacquebord).
  • HR 27 januari 1995 ECLI:HR:NL:ZC1628, r.o. 3.2.2., NJ 1995, 669.
  • HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7253 (concl. A-G mr. Verkade, r.o. 5.29), NJ 2009, 548 (Stemra/Kazaa).
  • HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799, RAV 2011, 34 (Fortis Bank NV).
  • HR 25 november 2015, ECLI:NL:HR:2005:AU4019, NJ 2009, 550 (Lycos/Pessers).
  • Bundesgerichtshof 17 juli 2003, I ZR 259/00 (Paperboy).
  • Hof Arnhem 4 juli 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AY0089, r.o. 4.10, IER 2006, 87 (NVM-Makelaars/Zoekallehuizen.nl);
  • Hof Amsterdam 15 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY8420 (X/Noordhoff).
  • Rotterdam 22 augustus 2000, ECLI:NL:RBROT:2000:AA6826, r.o. 4.5, IER 2000, 55 (kranten.com).
  • Amsterdam 12 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:716.

 

Footnotes

  1. Gelet op de restrictie van het aantal woorden van de opdracht beperk ik mij tot slechts enkele aspecten, hoewel ik graag meer zou willen behandelen.
  2. Hof Amsterdam 15 januari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY8420 (X/Noordhoff).
  3. Artikel 12, lid 1, sub 1, van de Auteurswet.
  4. Artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  5. Asser/van Schaick Procesrecht 2 Eerste aanleg 2011/92.
  6. Artikel 149, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
  7. HR 25 november 2015, ECLI:NL:HR:2005:AU4019, NJ 2009, 550 (Lycos/Pessers).
  8. HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0664, NJ 1992, 713 (Van der Meulen/Hacquebord).
  9. Remme Verkerk, “Burgerlijk procesrecht en ideologie”, “Netherlands Journal of Legal Philosophy” 2011, afl. 1, p. 6-30.
  10. HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7253 (concl. A-G mr. Verkade, r.o. 5.29), NJ 2009, 548 (Stemra/Kazaa).
  11. HR 8 maart 1957, NJ 1957, 271 (Buma/De Vries).
  12. HR 31 januari 1919, NJ 1919, 161 (Lindenbaum/Cohen); Artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  13. Artikel 12, lid 1, sub 1, van de Auteurswet.
  14. HR 27 januari 1995 ECLI:HR:NL:ZC1628, r.o. 3.2.2., NJ 1995, 669.
  15. Hof Arnhem 4 juli 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AY0089, r.o. 4.10, IER 2006, 87 (NVM-Makelaars/Zoekallehuizen.nl); Rb. Rotterdam 22 augustus 2000, ECLI:NL:RBROT:2000:AA6826, r.o. 4.5, IER 2000, 55 (kranten.com).
  16. HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1799, RAV 2011, 34 (Fortis Bank NV).
  17. B. Hugenholtz, “Auteursrecht contra informatievrijheid in Europa”, “Van ontvanger naar zender” 2003, p. 157-174.
  18. World Economic Forum, The Global Information Technology Report 2014, 2014, geraaldpleegd op: http://www3.weforum.org/docs/WEF_GlobalInformationTechnology_Report_2014.pdf (laatst geraadpleegd op 16 mei 2015)
  19. Rb. Amsterdam 12 februari 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:716.
  20. Het auteursrecht is niet opgenomen in het EVRM of IVBPR.
  21. Artikel 10, lid 2, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.
  22. Zie ook: Auteurswet.
  23. Bundesgerichtshof 17 juli 2003, I ZR 259/00 (Paperboy)
  24. R. Chavannes, Paperboy, Javi , december2003, nr. 6, te vinden op: http://www.chavannes.net/assets/Paperboy%20BGH.PDF (laatst geraaldpleegd op 15 mei 2015).
There are no comments published yet.

Reply.

Send this to a friend