Summaries

Samenvatting Strafrecht 2

Een samenvatting van Strafrecht 2. Een vak dat wordt gegeven aan de rijksuniversiteit. Dit vak behelst de materiële aspecten van het strafrecht.

Download de samenvatting als PDF of lees het online:

Aan de hand van alle hoor- en werkcolleges en de voorgeschreven literatuur.

Samenvatting Strafrecht 2

Introductie & Algemeen

Week 1: Opzet en Culpa

1.1. Opzet

1.2. Culpa

Week 2: Noodweer(exces) en ontoerekeningsvatbaarheid

2.1. Noodweer(exces)

2.1.1. Noodzakelijk

2.1.2. Culpa in causa

2.1.3. Noodweerexces & hevige gemoedsbeweging

2.2. Ontoerekeningsvatbaarheid

Week 3: Poging, voorbereiding & vrijwillige terugtred

3.1. Poging

3.1.1. Begin van uitvoering

3.2. Voorbereiding

3.3. Vrijwillige terugtred

Week 4: Daderschap

4.1. (Functionele) Pleger

4.2. Rechtspersoon als functionele pleger

Week 5: Deelneming: medeplegen

5.1.1. Opzet & samenwerking

5.1.2. Plegers & medeplegers

5.1.3. Doorwerking strafuitsluitingsgronden

5.1.4. Arresten

Week 6: Doen plegen, uitlokking & medeplichtigheid

6.1. Uitlokking

6.2. Doen plegen

6.3. Medeplichtigheid

Week 7: Leiding geven, poging tot uitlokking & vrijwillig terugtreden bij deelneming

7.1. Leiding geven

7.2. Poging tot uitlokking

7.3. Vrijwillig terugtreden bij deelneming

Slot

 

Introductie & Algemeen

Week 1: Opzet en Culpa

Het ovengrote deel van deze week is herhaling van Strafrecht 1. Er zijn enkel twee arresten van belang. Daarom zal ik zeer beknopt door de stof van deze week gaan, voor een uitgebreidere uitleg over dit onderwerp verwijs ik je door naar de samenvatting/stof van Strafrecht 1.

1.1. Opzet

Het schuldverband van opzet ziet in beginsel toe op alle bestanddelen die na de verwoording van opzet volgen. De verdachte dient dan opzet te hebben op al die aspecten. Uitzonderingen hierop zijn door het gevolg gekwalificeerde delicten, gemeengevaarlijke delicten en geobjectiveerde bestanddelen. Wanneer er staat opzettelijk en wederechtelijk, dan ziet opzet niet toe op het bestanddeel wederechtelijk. Mist de en, dan is rust er wel een schuldverband op.

We werken over het algemeen met de lichtste vorm van opzet aangezien deze het makkelijkst te bewijzen is. De zogeheten voorwaardelijke opzet. Dit mag niet in gevallen opzet is verwoord door middel van oogmerk.

Onder voorwaardelijk opzet verstaan we “bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat…”.

Om te kijken of hier sprake van is ga je het volgende stappenplan door:

  1. Aanmerkelijke kans
    Is er sprake van een aanmerkelijke kans op het gevolg? Hierbij kijk je niet naar of er sprake is van een ernstig gevolg maar simpelweg of er een grote kans is op het gevolg door de gedragingen.
  2. Bewust
    Is de verdachte bewust van deze aanmerkelijke kans?

    1. Verklaring verdachte
      Als eerste kijk je naar de verklaring van de verdachte. Als de verdachte aangeeft het niet te weten (en de rechter gelooft dat) dan kan er geen sprake zijn van opzet, de verdachte weet het immers niet. Is er geen verklaring van de verdachte of gelooft de rechter het niet? Dan kijk je naar de ervaringsregels.
    2. Normaliteitssyllogisme
      Weet ieder normaal mens dat er een aanmerkelijke kans is? Is de verdachte een normaal mens? Als je beide positief beantwoord dan is de verdachte bewust van de aanmerkelijke kans.
  3. Aanvaarden
    Als de verdachte bewust was van de aanmerkelijke kans en toch de gedraging heeft verricht dan is er in beginsel sprake van voorwaardelijke opzet. Een uitzondering staat beschreven in het (Strafrecht 1) Porche arrest. Hier viel uit de gedragingen af te leiden dat hij niet bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard, in casu betekende (echte) opzet namelijk gevaar voor eigen leven. Ondanks dat de verdachte bewust was van de kans had hij geen opzet op zijn eigen dood en aanvaarde deze kans niet gelet op zijn gedragingen. Normaliter gebruik je het Slaan met Pistool arrest om te kijken of er sprake is van aanvaarding. Als gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvormen aangemerkt kunnen worden als ze zo zeer gericht zijn op een bepaald gevolg dat het niet anders kan dat verdachte de het gevolg aanvaarde, behoudens contra-indicaties.

1.2. Culpa

Culpa verwoorden we tegenwoordig als “verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid”. Om te kijken of hier sprake van is kijk je naar het volgende stappenplan:

  1. Onvoorzichtig
    Kon de verdachte het gevolg voorzien?

    1. Gedragsvoorschrift
      Is er een wet dan wel (interne) regel die de gedraging verbied? Let hierbij wel op of de regel strekt tot voorkoming van het ingetreden gevolg.
    2. Ervaringsregel
      Kon of behoorde de verdachte te weten dat de gedraging tot het ter laste gelegde volg leidt?
    3. Achterwege laten
      Had de verdachte, nu hij wist of behoorde te weten, de gedraging achterwege moeten laten? Hier is geen sprake van wanneer de verdachte een geoorloofde risico nam of een rechtvaardigingsgrond
  2. Verwijtbaar
    Kon worden gevergd dat de verdachte anders handelde? Kon de verdachte dit überhaupt of kan de verdachte zich beroepen op een schulduitsluitingsgrond? De verwijtbaarheid hoeft niet altijd gemotiveerd te worden omdat het af te leiden valt uit de handelingen. Dit is anders wanneer er sprake is van aangevoerde aanneembare omstandigheden die de verwijtbaarheid betwisten.
  3. Aanmerkelijk
    Is er sprake van een aanmerkelijke voorzichtigheid? Is de gedraging dermate erg dat het toe te rekenen is? Hiervoor dien je te kijken naar het arrest Geervliet. Je niet houden aan verkeersregels betekent niet meteen dat het aanmerkelijk is. In casu heeft de verdachte betracht juist te handelen maar tevergeefs. De rechtsregel is dat je kijkt naar de aard en ernst van de gedraging en de zwaarte van het gevolg.

Week 2: Noodweer(exces) en ontoerekeningsvatbaarheid

2.1.  Noodweer(exces)

Noodweer kennen we nog van Strafrecht 1 en artikel 41 SR. Maar we gaan nu een kleine stap verder. Om je geheugen op te frissen de aspecten van noodweer:

  • Noodzakelijk
    Kon de verdachte zich aan de situatie onttrekken?
  • Lijf, eerbaarheid of goed
    Was er sprake van verdediging van één van deze aspecten?
  • Wederechtelijk
    Handelde de aanrander in strijd met het recht?
  • Ogenblikkelijk
    Vind de aanranding ‘nu’ plaats?

De grondslag van noodweer komt vanuit ‘natuurlijke’(fysieke)  verdediging en rechtsverdediging. Het verschil tussen noodweer en overmacht is dat noodweer toe ziet op recht en onrecht terwijl overmacht een conflict van plichten/rechten betreft.

2.1.1. Noodzakelijk

Wat je nu extra dient te weten is onder andere dat het bestanddeel ‘noodzakelijk’ niet betekent dat verdachte gedwongen is tot verdediging. Maar of het feitelijk mogelijk was om je aan de situatie te onttrekken. Maar, ook van belang is, kon het van de verdachte worden gevergd? Dit is bepaald in het Boze Buurman arrest. Hier probeerde de verdachte de situatie te sussen. Hij kon zich onttrekken, maar gelet op de poging van het voorkomen van een fysiek conflict kon onttrekking niet van de verdachte worden gevergd.

2.1.2. Culpa in causa

Een beroep op noodweer wordt geweigerd als je culpa(schuld) hebt aan het veroorzaken van noodweer. Dit is bepaald in het Taxichauffeur arrest. Er is bepaald dat je willens en wetens in een situatie begeeft waarbij (zo goed als) vast staat dat de aanrander je zal aanvallen er toe leidt dat je niet op noodweer kan beroepen. Echter, blijven na een sommatie tot vertrek betekent niet direct dat je het risico aanvaard op een directe confrontatie. Vrezen voor zo’n situatie is onvoldoende. Culpa in causa speelt enkel vóór de aanranding.

2.1.3. Noodweerexces & hevige gemoedsbeweging

We weten allemaal wel dat wanneer je je niet hebt gehouden aan de subsidiariteit en proportionaliteit vereisten dat beroep op noodweerexces eventueel mogelijk is.

Hiervoor dient er allereerst sprake te zijn van een noodweersituatie. Als die er is dan dient de overschrijding het onmiddellijk gevolg te zijn geweest door een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding. In het arrest Van Doorslaggevend Belang is een kleine nuance aangebracht. Andere factoren dan de aanranding mogen een rol spelen bij het veroorzaken van een hevige gemoedsbeweging. Althans, zo lang de aanranding van doorslaggevend belang (de druppel die de emmer doet overlopen) voor de hevige gemoedsbeweging.

2.2. Ontoerekeningsvatbaarheid

Om te kijken of er sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid zullen we kijken naar de vragen die artikel 39 SR omvat:

  • Is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling/ziekelijke stoornis of geestesvermogen?
  • Is het delict begaan vanwege deze stoornis?
  • Staat iets toerekening in de weg?

Een groot vraagstuk in het licht van de verplichte stof is hierbij of ontoerekeningsvatbaarheid opzet in de weg staat? Kan de verdachte nog opzet hebben als hij zich in een psychose bevindt? Volgens het Tolbert arrest kan dit enkel in de weg staan indien de verdachte ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak. Een pyromaan heeft bijvoorbeeld opzet en inzicht op brandstichten, zijn ontoerekeningsvatbaarheid staat opzet niet in de weg. Dit is behoudens contra indicaties. Jezelf opzettelijk in een psychose brengen staat ook opzet niet in de weg, dit valt dan aan verdachte te wijten.

Normaal behandel je ontoerekeningsvatbaarheid bij de 3e materiële vraag. Maar wordt bepleit dat deze opzet in de weg staat? Dan is dit uiteraard een bewijsverweer en dus de 1e materiële vraag.

Week 3: Poging, voorbereiding & vrijwillige terugtred

3.1. Poging

Poging staat vastgelegd in artikel 45 SR. Voor we kunnen spreken over poging zijn er een paar voorwaarden:

  • Het gaat om een
  • Er is een voornemen van de dader.
    Dit is het geval indien er sprake is van (voorwaardelijke) opzet op het begaan van het delict.
  • Er dient een begin van uitvoering te zijn.

We kennen twee soorten pogingen.

  • Voltooide poging
    Alles is gedaan door verdachte om tot een succesvol delict te komen maar mislukt toch.
  • Onvoltooide poging
    De poging is mislukt, de dader wordt bijvoorbeeld onderbroken.

Wanneer het delict is begaan kan je uiteraard niet meer spreken over een poging. Een voltooide poging betekent dus geen voltooid delict.

3.1.1. Begin van uitvoering

Volgens het Grenswisselkantoor arrest is slechts de intentie onvoldoende. Dankzij het CITO arrest dient er gekeken te worden naar of via uiterlijke verschijningsvormen blijkt dat de gedragingen gericht zijn op voltooiing van het (voorgenomen!) misdrijf. Een manier om dit te analyseren kijken of er voldaan is aan één of meerdere bestanddelen. Een hulpmiddel hierbij is te denken of je kan zeggen “jetzt geht los!”.

Er zijn pogingen waarvan vaststaat dat dit nimmer zal slagen. De maan willen kapot maken met een pistool. Dit noemen we dan absoluut ondeugdelijke poging. In zulke gevallen is er geen sprake van een poging doordat deze naar uiterlijke verschijningsvormen nooit zal kunnen slagen, dit wordt niet snel aangenomen. Dit is anders in gevallen van relatief ondeugdelijke gevallen. Zoals hooi willen aansteken, maar het is nat. Het slaagt nu misschien niet, maar zou morgen wel kunnen slagen. Gelet op het Lexanruit arrest is hier wel sprake van een begin van uitvoering.

Tot slot nog wat theorie (die je niet dient toe te passen) over begin van uitvoering:

  • Subjectieve pogingsleer
    • Bestraffen van uit gedragingen gebleken intentie.
    • Hamel: vastheid van voornemen.
    • Dijck: verdachte toont zich naar plaats en tijd psychisch in staat.
  • Objectieve pogingsleer
    • Bestraffen van gedragingen die rechtsgoederen in gevaar
    • Zevensbergen: vervullen van een deel van de delictsomschrijving.
    • Simons: laatste gedraging die nodig is voor voltooiing van delict.

3.2. Voorbereiding

Voorbereiding is strafbaar gesteld in artikel 46 SR. De vereisten zijn:

  • Misdrijf met een gevangenis straf van acht jaar of meer.
  • (voorwaardelijke) opzet op het misdrijf.
  • Er is sprake van een voorbereidingsmiddel
    • Voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en veroersmiddelen.
  • Er is sprake van een voorbereidingsgedraging
    • Verwerven, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren of voorhanden hebben.
  • Het middel is bestemt voor het begaan van het misdrijf.

Volgens het arrest Telefonisch Voorbereiden dient een middel voor het begaan van een misdrijf en niet voor het voorbereiden. Heeft het middel voldoende verband met het te begane misdrijf? Zo ook bepaalt in het Holland Casino arrest.

3.3. Vrijwillige terugtred

Volgens artikel 46b is poging noch voorbereiding is strafbaar indien verdachte vrijwillig door zijn eigen wil afziet van het begaan van het delict. Dit dient dus vrijwillig uit eigen wil te geschieden, een externe omstandigheid zoals het betrapt worden geldt niet. Volgens het Baby Eemskanaal arrest staan externe omstandigheden niet per definitie in de weg dat verdachte op eigen beweging af kan zien van zijn poging of voorbereiding. Ook bij een voltooide poging wat nog niet is voltrokken maar wel zal gaan gebeuren is het mogelijk om vrijwillige terugtred te doen. Hiervoor dien je je voltooide poging ongedaan te maken volgens het Remkabel arrest. In dit arrest kijk je naar of het handelen naar aard en tijd geschikt is om het intreden van het gevolg te beletten. Vrijwillige terugtred is niet mogelijk bij een voltooid delict. Een succesvol beroep op vrijwillige terugtred leidt tot OVAR, niet vrijspraak.

Week 4: Daderschap

Deze week gaat in op de daderschap. Wie allemaal als dader aangemerkt kunnen worden staat beschreven in 47 SR. Deze week betreft de vormen van plegen en doen plegen. Daderschap gaat echter wel verder dan deze twee vormen. In de andere weken zal medeplegen, uitlokking en medeplichtig zijn worden besproken.

4.1. (Functionele) Pleger

Van oudsher betekent plegen ‘fysiek’ het feit plegen. De pleger voldoet aan alle bestandsdelen door middel van spierbewegingen. Tegenwoordig verstaan we onder pleger ook de ‘functionele’ pleger. Dit is dan een ander dan de persoon die fysiek de verboden gedraging verricht. Diegene bewerkstelligt dit. Om te kijken of iemand als functionele pleger gekenmerkt kan worden dien je te kijken naar de criteria die staan vastgelegd in het IJzerdraad arrest. Hieruit moet blijken dat de verdachte kon beschikken en aanvaarden.

Maar voordat je kijkt of iemand pleger dan wel functionele pleger is kijk je of verdachte normadressaat is. Kan verdachte het delict wel plegen? Sommige delicten vereisen dat verdachte over een bepaalde kwaliteit beschikt, zoals het zijn van een ambtenaar, bestuurder of werkgever.

Voor functionele daderschap zijn de volgende criteria bedacht via het IJzerdraad arrest:

  • Beschikken
    Kon de verdachte beschikken (opdracht geven / zeggenschap) over de fysieke pleger? Hierbij dient de verricht gedraging wel verband te hebben met de beschikkingsmacht van de verdachte.
  • Aanvaarden of placht te worden aanvaard
    Aanvaarden kan op drie manieren:

    • Direct opdracht geven
    • Nalaten in te grijpen, wetende dat er verboden gedragingen worden verricht.
    • Niet betrachten van de zorg die redelijk kan worden gevergd om de gedraging te voorkomen.
      • Zoals niet aangeven dat men zich dient te houden aan regelgeving of dit simpelweg nooit controleren.

Aanvaarden is echter geen (voorwaardelijke) opzet! Men hoeft niet bewust te zijn en resulteert er niet in dat verdachte direct opzet heeft. Maar, als je de maximale zorg hebt betracht, wat een AVAS verweer is, dan heb je niet aanvaard. Let wel op! AVAS ziet normaal toe op de 3e materiële vraag, echter in dit soort gevallen is het een daderschapsverweer en wordt dus behandeld bij de 1e materiële vraag.

Opzet of culpa van de ondergeschikte kan in beginsel niet aan de verdachte worden toegerekend. Als opzet dan wel culpa ten laste wordt gelegd dient deze dus ook bij de verdachte aanwezig te zijn. Ook al had de ondergeschikte dit.

Vaak zijn zowel de pleger als functionele pleger strafbaar. Het is dan aan het OM van wat zij opportuun vinden.

4.2.  Rechtspersoon als functionele pleger

Volgens artikel 51 SR kunnen ook rechtspersoon strafbaar worden gesteld. Maar niet alleen de rechtspersoon zelf, ook de feitelijke leidinggevende (zie vorig hoofdstuk).

Om te kijken of een rechtspersoon strafbaar gesteld kan worden dient gekeken te worden naar de gronden van het Drijfmest arrest. Kan de gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon worden toegerekend? Een oriëntatiepunt hiervoor is door te kijken of het was verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hier kan sprake van zijn bij het voldoen van alleen al één van de volgende omstandigheden:

  • Is de gedraging verricht ten behoeve van de rechtspersoon?
  • Past het bij de normale bedrijfsvoering?
  • Is het de rechtspersoon dienstig geweest?
  • Wordt voldaan aan de IJzerdraadcriteria?

In beginsel is één voldoende. Echter, wanneer een AVAS, maximale zorg, wordt gehonoreerd kan niet worden voldaan aan de IJzerdraadcriteria. In zulke gevallen zal de rechter waarschijnlijk oordelen dat het tóch niet kan worden toegerekend, ook al wordt er voldaan aan één van de andere gronden. Dit hangt nauw samen met dat men dan alsnog bij de 3e materiële vraag blijft steken.

Net zoals bij de natuurlijke functionele dader dient opzet dan wel culpa ook bij de rechtspersoon zelf aanwezig te zijn. Dit kan op twee manieren:

  • Via de natuurlijke personen
    • Hoe hoger zijn opzet/culpa, hoe sneller het geacht wordt aanwezig te zijn bij de rechtspersoon.
    • De mate van vrijheid, hoe meer vrijheid, hoe sneller het wordt aangenomen ook aanwezig te zijn bij de rechtspersoon.
  • Via de rechtspersoon zelf
    • Is het bedrijfspolitiek?
    • Begaat men systematisch delicten?
    • Ontbreken van toezicht?

Week 5: Deelneming: medeplegen

Medeplegen is een deelnemingsvorm. In tegenstelling tot de deelnemingsvorm medeplichtigheid is dat je bij medeplegen als dader gekenmerkt wordt.  Medeplegen staat net als plegen, doen plegen (en uitlokking) in artikel 47 SR.

  1. Accessoriteit
    Is er sprake van een strafbaar gronddelict? Dit kan zijn:

    1. Voltooid delict
    2. Strafbare poging (poging tot deelneming is niet strafbaar!)
    3. Strafbare voorbereiding
  2. Is er sprake van een bewuste nauwe samenwerking?
    1. Objectief: heeft verdachte nauw samengewerkt?
    2. Subjectief: heeft verdachte opzet op de samenwerking?
  3. Wordt er voldaan aan de schuldvorm?
    Indien opzet of culpa bestanddeel is van het delict dan dient verdachte dit ook te bezitten, los van de opzet op de samenwerking.

5.1.1. Opzet & samenwerking

Indien iemand opzet heeft op de samenwerking van een ernstiger grondfeit dan daadwerkelijk is gepleegd, dan wordt je enkel vervolgd voor het begane grondfeit. Je wordt geacht opzet te hebben op het lagere indien je dit hebt voor het zwaardere delict. Wanneer iemand enkel opzet had op een lager feit maar wordt toch hoger, dan wordt de pleger vervolgd voor het grondfeit en de medepleger daar waar die opzet op heeft. Daarbij, indien iemand opzet heeft op mishandeling door een knuppel en het wordt een mishandeling door de hand, dan kan er alsnog opzet hebben. Dit leert het arrest Globale Opzet ons. Je hebt opzet op de mishandeling, hoe dit gebeurt doet er niet toe.

5.1.2. Plegers & medeplegers

Wat goed om te beseffen is dat wanneer de daders allebei als pleger gekenmerkt kunnen worden, je helemaal niet aan de vereisten van medeplegen toekomt. Bijvoorbeeld wanneer beide zelfstandig alle bestanddelen vervullen en bewust nauw samenwerken. Dit is anders indien slechts één van de twee als pleger gekenmerkt kan worden, dit is zo bijvoorbeeld wanneer de pleger alle bestanddelen vervult en de ander bewust nauw samenwerkt. Hierbij moet de pleger wel een strafbaar grondfeit hebben begaan! Tot slot heb je nog de omstandigheid wanneer beide geen pleger zijn maar wel gekenmerkt kunnen worden als medepleger. Dan moeten allebei aan de vereisten voldoen, dit is zo wanneer zij gezamenlijk alle bestanddelen vervullen met een bewust nauwe samenwerking. In gevallen van kwaliteitsdelicten is het voldoende dat slechts de pleger of één van de medeplegers over de kwaliteit beschikt, zo lang er maar ook opzet is op deze kwaliteit voor de samenwerking.

Soms wordt in een artikel medeplegen strafbaar gesteld. “In vereniging” een strafbaar feit begaan. In zulke gevallen worden de daders gekenmerkt als pleger en niet als medeplegers.

5.1.3. Doorwerking strafuitsluitingsgronden

Soms wordt er wel eens beroep gedaan op een strafuitsluitingsgrond. Dit kan effect hebben op de strafbaarheid van een medepleger. Dit is dankzij artikel 50 SR. Hierin staat dat persoonlijke omstandigheden enkel voor de persoon zelf geldt en niet voor een andere daders of medeplichtigen. Indien de strafuitsluitingsgrond een rechtvaardigingsgrond is, dus een niet persoonlijke, dan werkt deze ook voor de medepleger/medeplichtige. Indien het een schulduitsluitingsgrond betreft, dus een persoonlijke, dan is dit enkel voor die persoon. Zo kan het dus voorkomen dat een pleger niet strafbaar is maar de medepleger wel.

5.1.4. Arresten

Enkele arresten die in acht dienen genomen te worden bij het nagaan van de vereisten van medeplichtigheid:

  • Containerdiefstal arrest
    Medeplegen vereist niet de fysieke aanwezigheid van de verdachte ter plaatse. Een bewuste en nauwe samenwerken voorafgaand aan het feit kan onder omstandigheden voldoende zijn.
  • Vlinderbom arrest
    Louter
    aanwezig zijn, niet distantiëren en instemmen met een vernieling is niet genoeg om als bewuste nauwe samenwerking gekenmerkt te worden en dus geen medeplegen.
  • Onvrijwillige Taxirit arrest
    Onder omstandigheden
    kan je ook passief bewust en nauw samenwerken. Als je door lijfelijke aanwezigheid bijdraagt zodat men bijvoorbeeld niet weg kan, is dit alsnog voldoende.
  • Overzichtsarrest medeplegen
    In dit arrest is een klein overzichtje gegeven wanneer er sprake kan zijn van medeplegen. Deze ziet er als volgt uit:

    • Wie het feitelijke handelen verricht is minder van belang, de focus ligt op de bewust nauwe samenwerking.
    • Bijdrage aan het feit kan ook vóór of het plegen van het feit.
    • De intellectuele en/of materiële bijdrage dient van voldoende gewicht te zijn.
    • Een kleine bijdrage (bevorderen/vergemakkelijken) kan tot medeplichtigheid leiden. Wil de rechter alsnog overgaan tot medeplegen dan dient hij dit goed te motiveren aan de hand van bijvoorbeeld:
      • De intensiteit
      • Onderlinge taakverdeling.
      • De rol in de voorbereiding.
      • De uitvoering of afhandeling.
      • Belang van de rol.
      • De aanwezigheid op belangrijke momenten.
      • En van minder belang: niet terugtrekken op daartoe geëigende tijdstip.

Week 6: Doen plegen, uitlokking & medeplichtigheid

6.1. Uitlokking

Uitlokking is het opzettelijk een ander bewegen tot het begaan van een strafbaar feit met uitlokkingsmiddelen, zoals beschreven in artikel 47 lid 1 onder 2 SR. Via het volgende stappenplan kan bekeken worden of hier sprake van is:

  1. Accessoriteit
    De uitgelokte heeft een strafbaar grondfeit gepleegd.
  2. De deelnemingsgedraging:
    1. Objectief: Bij de ander dient een wil te zijn ontstaan voor het begaan van een strafbaar feit door middel van een wettelijk uitlokkingsmiddel.
    2. Subjectief: Je dient willens en wetens uit te lokken.
  3. Schuldverband
    Je dient opzet te hebben op alle Ook bij overtredingen. Bij culpoze delicten dient dit schuld te zijn. Een uitzondering hierop staat in lid 2. Opzet/culpa hoeft niet gericht te zijn op geobjectiveerde bestanddelen of gevolgen.

Bij het nagaan van dit stappenplan zijn er een paar aspecten die extra aandacht verdienen. Uitlokking van iemand die al een vast voornemen heeft tot het begaan van het feit is niet strafbaar. Er is niks uitgelokt, het was er al.

Daarnaast worden uitlokkingsmiddelen ruim uitgelegd, vooral inlichtingen. Een aanmoediging kan echter niet worden gezien als inlichting. Het dient in dat geval een mededeling te zijn van feitelijke aard die van belang is voor het te begane delict in de zin dat  deze geschikt genoeg is om het feit te kunnen bewerkstelligen.

In het geval je iets uitlokt en de onmiddellijke pleger doet iets ernstiger, dan wordt je enkel vervolgt tot dat waar je opzet op gericht was. Indien de onmiddellijke pleger iets minder ergs doet dan wordt slechts dat feit ten laste gelegd. Van beide gevallen is geen sprake indien de onmiddellijke pleger iets geheel anders doet dan de uitlokker wilde, er dient wel een vorm van verband te zijn.

6.2. Doen plegen

Het doen plegen heeft veel weg van de functionele pleger en uitlokking. Echter, in tegenstelling tot beide is bij doen plegen vereist dat de onmiddellijke pleger niet strafbaar is. Er dient wel sprake te zijn van een strafbaar grondfeit. De reden waarom de fysieke pleger straffeloos is maakt niet uit, het ontbreken van een kwaliteit doet er niet toe. Dat valt af te leiden uit het (niet verplichte) Terp arrest. Om te kijken of er sprake is van doen plegen kan je het volgende stappenplan bewandelen:

  1. Accessoriteit
    Is er een strafbaar grondfeit en is de fysieke pleger straffeloos?
  2. Is er sprake van een deelnemingsgedraging?
    1. Objectief: Is de ander aangezet tot het feit?
    2. Subjectief: Is de ander opzettelijk aangezet?
  3. Wordt voldaan aan het schuldverband?
    Indien schuld of opzet bestanddeel is, dient de verdachte deze ook te hebben voor het delict.

6.3. Medeplichtigheid

Het zal geen verassing zijn dat er ook voor medeplichtigheid een mooi stappenplan is die je kan bewandelen. Medeplichtigheid staat in 48 en 49 SR.

  1. Accesoriteit
    Er dient een strafbaar misdrijf te zijn gepleegd.
  2. Deelnemingsgedraging
    1. Objectief: dit kan op twee manieren
      1. Tijdens het delict behulpzaam zijn.
      2. Voorafgaand aan het delict gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen.
    2. Subjectief: Opzettelijk bevorderen
  3. Schuldverband
    In beginsel dien je opzet of culpa te hebben op alle bestanddelen.

Ook hier zijn er enkele aspecten die nadere uitleg vereisen.

Voorafgaand wordt relatief uitgelegd. Als je na een misdrijf een vluchtauto hebt staan, dan was deze er vóór de misdrijf ook al verschaft. Dus zou het pas na het delict gebruikt worden, de behulpzaamheid geschiedde vooraf.

Het kan zijn dat je medeplichtig wordt door het nalaten van bepaalde handelingen. Dit is bepaald in het Medeplichtigheid Door Nalaten arrest. Van nalaten is in beginsel slechts sprake indien daar een rechtsplicht toe bestaat. Dit kan een wettelijke of contractuele rechtsplicht zijn. Echter, in het arrest is ook bepaald dat omstandigheden zelf ook een rechtsplicht kunnen creëren.

Erg belangrijk om te onthouden is dat een medeplichtige dezelfde ter laste legging krijgt als de dader. Indien de opzet van de medeplichtige gericht was op een ernstiger feit dan wordt enkel het mindere feit ter laste gelegd. Indien de opzet was gericht op een minder ernstig feit dan wordt alsnog het ernstigere feit ten laste gelegd. Artikel 49 lid 4 SR vertelt ons dat in zulke gevallen enkel verrichte handelingen daadwerkelijk worden gestraft. Dit komt echter pas aan bod bij de 4e materiële vraag.

Er dient wel voldoende verband te zijn tussen waarop het opzet is gericht en het begane feit. Dit beoordeel je aan de hand van de aard van de gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Dit is zo bepaald in het Medeplichtigheid en opzet arrest.

Week 7: Leiding geven, poging tot uitlokking & vrijwillig terugtreden bij deelneming

7.1. Leiding geven

Leiding geven aan een strafbaar feit is strafbaar gesteld in artikel 51 lid 2 onder 2 SR. Om meteen met de deur in huis te vallen, hier is weer een stappenplan voor en deze is als volgt:

  1. Accessoriteit
    Rechtspersoon dient strafbaar te zijn. De rechtspersoon dient aan eventuele kwaliteitsvereisten voldoen, de leidinggevende niet.
  2. Deelnemersgedraging
    1. Objectief: een bijdrage hebben geleverd.
      1. Door middel van het geven van een opdracht.
      2. Door feitelijk leiding geven.
    2. Subjectief: opzet op eigen deelnemingsgedraging.
  3. Schuldverband
    In beginsel opzet op alle bestanddelen.

De objectieve gedragingen kunnen zowel actief als passief worden uitgevoerd. Bij actief is dit duidelijk zichtbaar. Bij passief ligt het iets genuanceerder.

Er kan sprake zijn van passief leiding geven als je voldoet aan het Slavenburg II arrest. Er kan van feitelijk leiding geven gesproken worden indien de persoon bevoegd en gehouden is om verboden gedragingen te stoppen en bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de gedraging zich nogmaals zal voordoen. Oftewel, je dient redelijkerwijs gehouden te zijn en je moet het bewust aanvaarden (voorwaardelijke opzet), in tegenstelling tot de IJzerdraadcriteria.

7.2. Poging tot uitlokking

Artikel 46a SR stelt pogingen strafbaar die een ander ertoe had moeten bewegen om een misdrijf te begaan. Dit betekent dat er geen sprake kan zijn van een voltooid delict of een poging op datgene wat men wil uitlokken. Dit alles dient met een wettelijk uitlokkingsmiddel te geschieden. Zo kan je, indien je hiervan gebruikt maakt, poging tot doen plegen, uitlokking, leiding geven en zelfs medeplegen strafbaar stellen. Omdat deze poging een opzichzelfstaande feit is deelname aan 46a SR mogelijk.

Kort gezegd heeft de HR bepaald dat hier sprake van kan zijn indien de gedragingen er niet toe hebben geleid dat er een begin van uitvoering is gekomen.

Soms is het mogelijk dat iemand strafbaar is aan het uitlokken van zware mishandeling maar de uitlokker had eigenlijk opzet op uitlokking tot moord. In zulke gevallen kan deze uitlokker vervolgd worden voor poging tot uitlokking tot moord in plaats van uitlokking van zware mishandeling. De straf is op die manier hoger en dient dus ook ten laste te worden gelegd volgens artikel 55 SR.

7.3. Vrijwillig terugtreden bij deelneming

In het arrest vrijwillig terugtreden bij deelneming is bepaald dat indien de pleger vrijwillig terugtred ook de overige deelnemers (lees: niet daders!!!) hiervan profiteren. Dit geldt niet voor medeplegers, deze dienen het uit eigen wil te doen zoals eerder is besproken. Dit betekent echter nog niet dat de overige deelnemers vrijuit kunnen gaan. Een poging via 46a SR is eventueel nog wel mogelijk.

There are no comments published yet.

Reply.

Send this to a friend