Summaries

Samenvatting Strafrecht 1

Download de samenvatting als PDF of lees het online:

Inhoudsopgave

Introductie & Algemeen. 3

Week 1: Strafbaarheid & inleiding strafprocesrecht. 4

1.1. Bronnen strafrecht 4

1.2. Legaliteitsbeginsel 5

1.3. Bestanddelen & delictssoorten. 5

1.3.1. Delictsomschrijving. 5

1.3.2. Elementen. 6

1.3.3. Bestanddelen. 6

1.3.3.1. Schuldverband. 6

1.3.3.2. Geobjectiveerde bestanddelen. 6

1.3.4. Delictssoorten. 7

1.3.4.1. Materiële en formele delicten. 7

1.3.4.2. Door gevolg gekwalificeerd delict 7

1.3.4.3. Bijkomende voorwaarden. 7

1.3.4.4. Gevaarszettingdelicten. 7

1.3.4.5. Gemeengevaarlijke delicten. 7

1.3.4.6. Krenkingsdelicten. 7

1.3.4.7. Commissie- en omissiedelicten. 8

Week 2: Strafuitsluitingsgronden. 8

2.1. Overmacht 8

2.1.1. Overmacht noodtoestand. 8

2.1.2. Psychische overmacht 8

2.1.3. Putatieve overmacht 8

2.2. Noodweer & Noodweerexces. 8

2.2.1. Putatieve noodweer 9

2.3. Afwezigheid van Alle Schuld (AVAS) 9

2.4. Ontbreken materiële wederrechtelijkheid. 9

2.5. Overige strafuitsluitingsgronden. 9

Week 3: Strafprocesrecht: vervolging. 10

3.1. Ad Informandum.. 10

Week 4: Beslissen, motiveren & sancties. 10

4.1. Beslissingen & Motiveringen. 10

4.2. Sanctiepakket 11

Week 5: Opzet en wederrechtelijkheid. 12

5.1. Wederrechtelijkheid. 12

5.2. Opzet 12

Week 6: Culpa. 14

Week 7: Causaliteit. 15

Overige aspecten & overzicht arresten. 16

7.1. Opzet en schuld. 16

7.2. Arresten. 16

7.2.1. Stiefkind (analogieverbod) 16

7.2.2. Mensenroof (extensieve interpretatie) 16

7.2.3. Noodtoestand en Opiumwet (overmacht noodtoestand) 16

7.2.4. Vrees (noodweer) 16

7.2.5. Bijlmer schietpartij (noodweerexces) 16

7.2.6. Ruzie te Loon op Zand (extensief noodweerexces) 16

7.2.7. Veearts (ontbreken materiële wederrechtelijkheid) 17

7.2.8. Water en melk (AVAS feitelijke dwaling) 17

7.2.9. Verzwegen vermogen (AVAS rechtsdwaling) 17

7.2.10. Afloxine in pinda’s (AVAS maximale zorg) 17

7.2.11. Het Spook van de Vrouwenpolder (art. 12 SV) 17

7.2.12. Vreemdeling (2e materiële vraag) 17

7.2.13. Ad informandum.. 17

7.2.14. Onderbouwd standpunt en responsieplicht 18

7.2.15. Dreigbrief (wederrechtelijkheid) 18

7.2.16. Mijn auto uit (wederrechtelijkheid) 18

7.2.17. Ronde Klip (voorwaardelijk opzet) 18

7.2.18. Amsterdamse spoorwegongeval (schuld) 18

7.2.19. Verpleegster (schuld en garantenstellung en beetje causaliteit) 19

7.2.20. Onvoldoende rechts houden in Winssen (culpa aanmerkelijke onvoorzichtigheid) 19

7.2.21. Porche (opzet aanvaarden) 19

7.2.22. Slaan met pistool (opzet aanmerkelijke kans) 19

7.2.23. Letale longembolie (causaliteit) 19

7.2.24. Haarlemse steekpartij (opzet causaliteit materieel opzetdelict) 19

 

Introductie & Algemeen

Ik begin maar met het meest saaie. Als je dit niet kent mag je je schamen, als je het wel kent wil je het overslaan. Hoe het ook zij, het is een (belangrijk!) onderdeel van strafrecht. Het is ook zeer belangrijk dat je het altijd toepast in de juiste volgorde. Namelijk de formele en materiële vragen.

De formele vragen staan in artikel 348 SV en de daarbij behorende uitspraken in 349 SV. De vragen in de wet staan ook in de volgorde zoals de rechter dit dient toe te passen. De vragen en de uitspraken zijn:

  1. Is de dagvaarding geldig? Nee betekent een nietige dagvaarding;
    Hierbij is onder ander belangrijk of de dagvaarding juist is betekend en dat de inhoud aan de wettelijke voorschriften voldoet. Dit wordt later behandeld;
  2. Is de rechter bevoegd? Nee betekent onbevoegdheidverklaring van de rechter. Er dient gekeken te worden naar de relatieve en absolutie competentie. De relatieve is zeer simpel, 2 SV geeft aan welke arrondissementen bevoegd zijn. Onthoud hierbij dat deze allen gelijk zijn, er is geen voorrangsregeling. ZOEKEN ABSOLUUT!!!;
  3. Is de officier van justitie (OvJ) ontvankelijk? Nee betekent niet-ontvankelijkheidverklaring van het OM. Hierbij dient onder andere gekeken te worden naar of verjaring(70 SR) of ne bis idem (68 SR) speelt. Ne bis idem betekent dat je niet opnieuw vervolgd kan worden voor hetzelfde feit.
  4. Is er reden tot schorsing? Ja betekent schorsing van de zaak. Redenen tot schorsing kun je vinden in artikel 14 SV e.v.

De materiële vragen staan in 350 SV en diens uitspraken in 351 en 352 SV.

  1. Kan het ten laste gelegde feit bewezen worden? Zo nee betekent vrijspraak volgens 352 lid 1 SV. Let hier heel erg goed op! Je moet enkel kijken naar of de ter laste legging bewezen kan worden. De feiten die er in staan, is dat gebeurd? Dat er een bestanddeel mist of dat er één te veel is maakt niet uit.
  2. Is het feit strafbaar? Zo nee betekent ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR) vanwege niet strafbaarheid van het feit volgens 352 lid 2 SV. Hier komen we zo op terug;
  3. Is de dader strafbaar? Zo nee, OVAR vanwege niet strafbaarheid van de dader volgens 352 lid 2 SV. Dit kan enkel in gevallen van strafuitsluitingsgronden die later behandeld zullen worden;
  4. Hier geeft men aan wat de straf is volgens 351 SV.

Wat men ook niet dient te vergeten is dat het strafrecht een ultimum remedium is. Het dient als laatste middel gebruikt te worden.

Week 1: Strafbaarheid & inleiding strafprocesrecht

1.1. Bronnen strafrecht

Ons Nederlands strafrecht kent verschillende bronnen. Allereerst, niet geheel onverwacht, het wetboek van Strafrecht. Dit bestaat uit drie boeken. Boek één bevat algemene bepalingen die dankzij 91 SR ook voor strafbepalingen buiten deze wet gelden. Behoudens titel IX (definities), deze is uitgezonderd. Boek twee bevat misdrijven en boek drie overtredingen. Daarnaast heb je natuurlijk het wetboek van Strafvordering.

Naast deze algemene wetten heb je ook de zogeheten bijzondere wetten zoals de wet Wapens en Munitie. Aan het eind van deze wetten vind je de meer algemene bepalingen zoals de straffen en wat voor soort delict (overtreding of misdrijf) elke bepaling is.

Ook lagere regelgeving zoals AMVB’s en APV’s kunnen strafrecht bevatten. Tot slot heb je ook nog verdragen zoals het EVRM en EU-verdrag etc.

1.2. Legaliteitsbeginsel

Het legaliteitsbeginsel, ook wel het nulla poena beginsel genoemd, houdt onder meer in dat een gedraging niet strafbaar is indien dit niet van te voren (dus geen terugwerkende kracht!) wettelijk is vastgelegd. Dit kun je vinden in 1lid 1 SR en 16 GW. Ook artikelen 7 van het EVRM en 15 IVBP zeggen dit.

In dit beginsel wordt ook het analogieverbod (zie ook arrest Stiefkind) afgeleid en het lex certa beginsel. Hoewel extensieve interpretatie zeer lijkt op analogie is dit in wezen niet hetzelfde en extensieve interpretatie mag dan ook wel gebruikt worden (zie ook het Mensenroof arrest). Maar de voorkeur is een restrictieve interpretatie.

Het verschil tussen analogie en een extensieve interpretatie is dat bij analogie de definitie nauwe verwantschap vertoont met een ander definitie en het daarom ook als die andere definitie gezien dient/kan worden waarbij bij extensieve interpretatie de definitie wordt aangepast/verruimt. De interpretatiemethoden die wel gebruikt mogen worden zijn de grammaticale, wetshistorische, rechtshistorische, wetssystematische en de teleologische.

Het Lex Certa beginsel, ook wel Bestimmtheitsgebot genoemd, houdt in dat een strafrechtelijke bepaling specifiek dan wel getailleerd genoeg dient te zijn.

Dit beginsel is van groot belang bij het beantwoorden van de 2e materiële vraag. Wanneer het artikel bijv. dus niet voldoet aan het Lex Certa beginsel, ook al staat die in de wet, dan is het feit niet strafbaar. Maar normaal gesproken hoef je enkel te kijken of alle bestanddelen van de wet in de ter laste legging staan.

1.3. Bestanddelen & delictssoorten

1.3.1. Delictsomschrijving

Dit is een omschrijving van de omstandigheden waar een verdachte aan dient te voldoen wil de verdachte in beginsel strafbaar kunnen zijn. Voor strafbaarheid is vereist dat men voldoet aan een delict. Een delictsomschrijving kan meerdere delicten bevatten. Een klein voorbeeld is diefstal, hier kan sprake zijn van zijn wanneer “…enig goed geheel of ten dele…”. Eén delict binnen deze delictsomschrijving is wanneer het een geheel goed betreft. Een ander delict binnen deze beschrijving is wanneer het een gedeelte van een goed betreft.

1.3.2. Elementen

Binnen ons Nederlands strafrecht kennen wij twee elementen. Schuld en wederrechtelijkheid. Voor elk strafbaar feit dient een verdachte schuld te hebben en dient het wederrechtelijk te zijn. Deze worden echter altijd aanwezig geacht, tenzij ze zijn opgenomen als bestanddeel binnen het delict. Dan dient het ook bewezen te worden. Strafuitsluitingsgronden kunnen schuld of wederrechtelijkheid opheffen. Dit komt ter sprake bij de 3e materiële vraag. Maar indien een element opgenomen is als bestanddeel dan wordt het behandeld bij de 1e materiële vraag doordat het element, in dat geval in de vorm van een bestanddeel, bewezen dient te worden. Een strafuitsluitingsgrond is in zo’n geval dan ook een bewijsverweer.

1.3.3. Bestanddelen

Een delict bevat bestanddelen. Bestanddelen zijn feitelijke aspecten binnen de omschrijving. Voor strafbaarheid moet er worden voldaan aan alle bestanddelen van het delict. Dit betekent dat alle bestanddelen ook bewezen dienen te worden.

Bestanddelen kunnen objectief en subjectief zijn. Subjectief zijn in het kort de bestandsdelen die toezien op het geestesvermogen van de verdachte. Alle andere bestanddelen zijn objectief.

Een stil of impliciet bestanddeel is een bestanddeel waarin ook andere bestanddelen gelezen dient te woorden. Een voorbeeld is mishandeling. Onder mishandeling moet verstaan worden: “opzettelijk een ander lichamelijk letsel of pijn toebrengen”.

1.3.3.1. Schuldverband

Met schuldverband wordt bedoeld het verband tussen de elementen als bestanddeel en objectieve bestanddelen. Dus bestanddelen waar bijvoorbeeld opzet of schuld voor vereist is. Bijvoorbeeld doodslag, 287 SR. “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft”. In beginsel ziet bijvoorbeeld opzet op alle bestanddelen die erna komen. Een uitzondering hierop is “opzettelijk en wederrechtelijk” en “opzettelijk wederechtelijk”. In het eerste geval is opzet niet óók gericht op wederrechtelijkheid terwijl in het tweede geval men wel opzet op de wederrechtelijkheid dient te hebben. Andere uitzonderingen moet je simpelweg kennen/begrijpen. Je moet uit de tekst afleiden dat een element als bestanddeel niet op die bestanddelen toe ziet.

1.3.3.2. Geobjectiveerde bestanddelen

Alles waar een element als bestanddeel niet op toeziet is geobjectiveerd. Dan is het dus nooit van belang of iemand schuld/opzet of wederrechtelijkheid op het bestanddeel heeft.

Bekende voorbeelden hiervan zijn delicten met bijkomende voorwaarden en door het gevolg kwalificeerde delicten. Dan is enkel causaal verband vereist tussen het delict en diens gevolgen. Men hoeft dan geen opzet of bijvoorbeeld schuld op deze gevolgen te hebben.

1.3.4. Delictssoorten

Hieronder vind je de theorie over elke delictssoort. Let op, een delict kan onder meerdere delictssoorten vallen.

1.3.4.1. Materiële en formele delicten

Materieel: Een regel dat toeziet op het veroorzaken van een gevolg.
Formeel: Een regel dat een gedraging verbiedt, ongeacht het gevolg.

1.3.4.2. Door gevolg gekwalificeerd delict

Wanneer aan een gedraging dat op zich al strafbaar is, een gevolg aan verbonden wordt (dus los van de gedraging) dan is dat een door het gevolg gekwalificeerd delict. Een voorbeeld hiervan is 300 SR. Mishandeling is als gedraging strafbaar. Bij een bepaald gevolg kan volgens de andere leden een zwaardere straf worden toegerekend, indien dit het gevolg is van de gedraging. Daarom heet het dus ook door het gevolg gekwalificeerd delict. Zoals eerder vermeld, dit gevolg is altijd geobjectiveerd. Er hoeft dus geen schuldverband op te rusten.

1.3.4.3. Bijkomende voorwaarden

Waneneer een gedraging niet strafbaar is, tenzij er omstandigheden zich later zullen voordoen.

1.3.4.4. Gevaarszettingdelicten

Je hebt twee typen gevaarszettingdelicten. Abstract en concreet. Bij concrete gevaarszettingdelicten is er sprake van feitelijk gevaar. Gevaar is aanwezig, het doet er daarbij niet toe dat dit gevaar tot een gevolg leidt. Want dat is het kenmerk van een gevaarszettingsdelict. Bij abstracte gevaarszettingdelicten doet het er niet eens toe of het tot gevaar heeft geleid, het gaat om de mogelijkheid tot gevaar.

1.3.4.5. Gemeengevaarlijke delicten

Dit lijkt erg op een gevaarszettingdelict. Dit zijn delicten waarbij een gedraging gevaar veroorzaakt voor personen of goederen in zijn algemeenheid.

1.3.4.6. Krenkingsdelicten

Bij krenkingsdelicten is er sprake van dat schade of schande van een rechtsgoed centraal staat.

1.3.4.7. Commissie- en omissiedelicten

Bij commissiedelicten gaat het er om dat een persoon (actief) iets doet. Bij omissiedelicten is het, zoals te verwachten, het tegenovergestelde. Hier gaat het om het niet doen van iets, het nalaten.

Week 2: Strafuitsluitingsgronden

2.1. Overmacht

2.1.1. Overmacht noodtoestand

Bij overmacht noodtoestand heb je een conflict van plichten. Je dient een afweging te maken van welk plicht het zwaarste weegt aan de hand van proportionaliteit en subsidiariteit.

2.1.2. Psychische overmacht

Bij psychische overmacht gaat het erom dat je aan je gedraging geen weerstand kon en hoefde te bieden.

2.1.3. Putatieve overmacht

Wanneer je denkt in een overmacht situatie te zijn maar dit niet het geval is. Bijvoorbeeld, je denkt iemand verdrinkt en overtreed daarom een regel van je mag niet zwemmen in de grachten. Bleek om een pop te gaan. Komt eigenlijk neer op AVAS. Moet wel verontschuldigbaar zijn.

2.2. Noodweer & Noodweerexces

Noodweerschema

Noodzakelijk betekent, had je je van de situatie kunnen onttrekken of had je de noodweer kunnen voorkomen? Met proportioneel wordt bedoeld, is de noodweer niet te zwaar? Dit hangt vaak samen met subsidiair, namelijk, was er geen lichter middel mogelijk?

Je hebt 3 soorten noodweerexces:

  • Intensief: dan is het disproportioneel
  • 1e graads, dan gaat de noodweer te lang door, langer dan nodig
  • 2e graads, dan ga je over tot noodweer na de aanranding. Let hierbij op het ogenblikkelijke dat vereist is voor een noodweersituatie. Hierbij dien je ogenblikkelijk te lezen als tijdens een situatie of direct daaropvolgend.

2.2.1. Putatieve noodweer

Wanneer je denkt in een noodweersituatie te bevinden maar dit niet is. Bijvoorbeeld, agent in burger gebruikt geweld tegen je. Is niet wederechtelijk maar je denkt van wel en daarom denk je noodweer. Komt eigenlijk neer op AVAS. Moet wel verontschuldigbaar zijn.

2.3. Afwezigheid van Alle Schuld (AVAS)

Vier soorten, ziet toe op zowel culpa als opzet. Elk bevat een feitelijk en norm aspect.

  • Verontschuldigbare dwaling omtrent de feiten
    Melk en water arrest. Wist niet en had niet hoeven weten.
  • Verontschuldigbare dwaling omtrent het recht
    Motorpapieren arrest. Enkel dwalen niet genoeg. Verontschuldigbaar is bijvoorbeeld in het arrest wanneer agent zegt dat je volgens het recht wel met de papieren mag rijden.
  • Maximale inspanning. Indien je aan alle eisen hebt voldaan en alles er aan hebt gedaan om het te voorkomen, dan treft je geen blaam. Pinda arrest.
  • Verontschuldigbare overmacht
    Bijvoorbeeld wanneer een medicijn een onverwachte bijwerking heeft waarvan je niet kon vermoeden dat dit zou intreden. Zoals een blind out tijdens het rijden.

 

2.4. Ontbreken materiële wederrechtelijkheid

Dit lijkt op overmacht-noodtoestand. Komt van het arrest Huizense veearts. Wanneer je een strafrechtelijke norm overtreedt met als doelstelling datgene dat wat die norm beschermt te waarborgen, ontbreekt de materiële wederrechtelijkheid.

2.5. Overige strafuitsluitingsgronden

De overige strafuitsluitingsgronden spreken voor zich. Er is enkel één die extra aandacht verdiend, namelijk de ontoerekeningsvatbaarheid. Dit zal echter terug komen bij het hoofdstuk  opzet.

Week 3: Strafprocesrecht: vervolging

In de kern: vervolging vindt plaats zodra er een rechter (ook rechter-commissaris) aan te pas komt. Tegenwoordig valt een strafbeschikking (waarbij dus geen rechter betrokken is) onder vervolging.

Het opportuniteitsbeginsel en vervolgingsmonopolie staat in artikel 167 SV.

Een ander beginsel is het onmiddelijkheidsbegisel. Dit houdt in dat enkel het bewijs materiaal tijdens de terechtzitting in beginsel meegenomen mag worden in het oordeel.

3.1. Ad Informandum

We spreken over Ad Informandum wanneer een verdachte één feit ten laste wordt gelegd maar waarbij soortgelijke feiten worden gevoegd onder het mom van houd hier rekening mee bij de strafoplegging. Normaal dien je voor elk feit een correcte tenlastelegging op te stellen. Via Ad Informandum hoeft dit niet. Hier zitten wel eisen aan. De OvJ moet verklaren dat hij de verdachte, bij strafoplegging(!!!), de verdachte niet meer zal vervolgen voor alle genoemde feiten. Het moet de verdachte ook zijn medegedeeld dat feiten ad informandum gevoegd zullen worden. Het is hierbij van belang dat het wel aannemelijk is dat de verdachte de feiten begaan heeft. Ofwel door een verklaring tijdens de zitting of bij afwezigheid een verklaring voorafgaand aan de zitting. Belangrijk bij de verklaring is dat wanneer de verdachte zijn verklaring intrekt (bijv. tijdens de zitting), dan mogen deze feiten niet meer ad informandum worden gevoegd. Hier hoort het arrest, met alle spanning en sensatie, Ad Informandum bij.

Week 4: Beslissen, motiveren & sancties

4.1. Beslissingen & Motiveringen

UOS is uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (zo heet ook het arrest). Dit kan zowel door de OvJ als door een verdachten gedaan worden. De vereisten zijn:

  • Duidelijk standpunt
  • Tegenover de feitenrechter
  • Door argumenten geschraagd
  • Met een ondubbelzinnige conclusie.

 

Artikel 358 lid

  1. Beslissing bij formele einduitspraak,
  2. Beslissingen bij materiële uitspraak.
  3. Beslissingen wanneer verdachte verweer voordraagt over: een formele vraag, 2e materiële vraag, 3e materiële vraag of een wettelijke stafverminderingsgrond.
  4. Bij straf, het voorschrift waarop dit is gebaseerd (motiveren is dit).

 

Artikel 359 lid

  1. Vonnis bevat altijd de ter laste legging en de vordering van de OvJ
  2. Motiveren bij een formele uitspraak, verweer van verdachte over een formele uitspraak of 2e materiele vraag of 3e materiele vraag of wettelijke strafvermindering. Dat was de 1e 2e zin is: motiveren bij een UOS van verdachte indien verweer op 1e of 4e materiële vraag. Bij een OvJ kan dit bij elke vraag.
  3. Bewezenverklaring vereist motivatie (dus 1e)
  4. 9a of 44a motiveren (bij 4e vraag maar dan zonder straf)
  5. Motiveren wanneer er een straf is
  6. Motiveren bij een vrijheidsbeneming.
  7. Motiveren bij TBS

 

4.2. Sanctiepakket

Bij het sanctiepakket is het voor het tentamen van belang, is de opgelegde straf toegestaan? Dit is simpelweg (goed) opzoeken. De meeste vind je rond 14 SR en verder. De belangrijkste zijn:

  • 9 SR lid 1, de mogelijke straffen. De andere leden zien toe op wanneer bepaalde straffen mogelijk zijn.
  • 9A SR, mogelijkheid tot geen strafoplegging.
  • Voor taakstraf: 9 SR lid 2 en heel belangrijk 22b SR voor wanneer dit mogelijk is. 22C SR geeft aan wat het is en de maximale duur.
  • De geldboete staat beschreven in 23 SR. Bij een geldboete is het opgeven van een vervangend hechtenis altijd verplicht volgens 24c SR. Mag uiteraard nooit meer zijn dan de hoogte van het delict.
  • Bijkomende straffen kunnen in beginsel volgens 9 SR lid 5. Welke er zijn staan in 9 lid 1 sub b SR. Voor ontzetting zie 28 en 31 SR. Voor verbeurdverklaring, zie 33 t/m 34 SR.
  • Een vrijheidsstraf mag nooit langer zijn dan die in het delict staat beschreven. Zie ook extra art. 10 SR. Ook artikel 27 SR is belangrijk, deze ontneemt het maximum met de tijd dat de verdachte al heeft gezeten voor het feit. Bij een hechtenis dien je te kijken naar artikel 18 SR.
  • Voor een niet volledig ten uitvoer gelegde straf, zie artikel 14a SR.
  • In gevallen van een niet volledig ten uitvoer gelegde straf is het opgeven van een proeftijd verplicht volgens 14a lid 1 SR. De maximale duur vind je in lid 2 en 3. Ook is men verplicht algemene voorwaarden te stellen (en welke) volgens artikel 14c SR. Ook speciaal is dat bij voorwaardelijk bijzondere voorwaarden mogelijk zijn, welke staan in 14c lid 2 SR. Let hier goed op 14c lid 2 onder 14, dit is een hele ruime bevoegdheid!
  • In gevallen van een voorwaardelijke vrijheidsbeneming, zie 15 en 15a SR.
  • Alle maatregelen staan in titel IIA (vanaf artikel 36a SR).

Voor de rest, vergeet niet in de nabijheid van de artikelen te kijken voor mogelijke uitzonderingen.

Week 5: Opzet en wederrechtelijkheid

5.1. Wederrechtelijkheid

Twee soorten wederechtelijkheid:

  • Remmelink: geen eigen recht
  • Hoge raad: in strijd met recht

Een rechtvaardigingsgrond zorgt er voor dat je niet in strijd handelt met het recht, maar geeft je nog geen recht. Wanneer wederechtelijkheid een bestanddeel is wordt bij Remmelink een rechtvaardigingsgrond (in beginsel) bij de 3e materiële vraag behandeld en bij de HR bij de 1e vraag.

5.2. Opzet

Er zijn verschillende soorten opzet. Opzet houdt in dat je willens en wetens handelt. Het bestaat dus uit twee aspecten die ook allebei aanwezig dienen te zijn. Behoren te weten is onvoldoende voor opzet! Dit is van groot belang om te beseffen bij het stappenplan.

  • Opzet als bedoeling
    Hierbij is het overduidelijk dat de verdachte opzet had op het gevolg en ook wist dat dit niet mocht. Wordt ook wel eens boos opzet genoemd.
  • Opzet als noodzakelijkheidsbewustzijn
    Het gevolg was noodzakelijk om je doel te bereiken. Bijvoorbeeld, je wilde een beter leven krijgen maar daarvoor moet iemand dood. Je wil eigenlijk een beter leven en niet dat iemand dood gaat. Maar doordat het noodzakelijk is dat diegene dood is heb je er noodzakelijkerwijs wel opzet op.
  • Opzet als waarschijnlijkheidsbewustzijn
    Dit is hetzelfde als noodzakelijk behalve dan dat het waarschijnlijk is.
  • Voorwaardelijk opzet. Dit is de lichtste vorm van opzet en hangt nauw samen met bewuste schuld. Voorwaardelijke opzet dient gelezen te worden als “bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat”. Aan elk aspect dient weer te worden voldaan. Bewust veronderstelt het weten en aanvaarden het willen. Maar er is wel een aanmerkelijke kans vereist. Hieronder vind je een stappenplan voor om te kijken of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

Opzet

 

Let bij dit stappenplan op in gevallen de verdachte verklaard heeft niet bewust te zijn en de rechter gelooft dit. Dan is opzet niet mogelijk, want opzet vereist weten. Nu de rechter erkent dat verdachte het niet wist is opzet dus niet mogelijk. Ook al zou je kunnen redeneren van ieder normaal mens weet dat… maar met die redenering kom je dan tot: verdachte wist niet maar behoorde het wel te weten. Dat duidt op culpa.

Week 6: Culpa

In gevallen van een culpoos gevolgsdelict betekent culpa verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Je behandeld het in de volgorde van OVA.

Twee soorten schuld. Bewust en onbewust. Bij bewust had je iets voor ogen en je wist wat de gevolgen waren. Maar uiteindelijk aanvaarde je deze gevolgen niet en wilde je het dus niet. Onbewust betekent dat je niet wist wat de gevolgen waren maar je behoorde deze wel te weten.

Culpa

 

Week 7: Causaliteit

Bij causaliteit gebruik je de leer van de redelijke toerekening volgens het Letale longembolie arrest. Je gebruikt hiervoor het volgende stappenplan:

 

Conditio sine qua non (adequatieleer): zou het gevolg hebben ingetreden zonder de gedraging? Zo nee, causaal verband mogelijk.

Causaliteit

Andere leren (hoort niet meer):

  • Causa-proxime: het dichts bij het gevolg staande oorzaak
  • Voorzienbaarheid: was het gevolg voorzienbaar?

 

Overige aspecten & overzicht arresten

7.1. Opzet en schuld

Heel kort maar krachtig, er is óf opzet óf schuld. Wanneer twee delicten, één schuld en één opzet, voor hetzelfde feit ten laste worden gelegd dan kan er altijd maar maximaal één bewezen worden.

7.2. Arresten

7.2.1. Stiefkind (analogieverbod)

Hier is OVAR uitgesproken wegens niet strafbaarheid van het feit. Nodig voor het ten laste gelegde feit was dat er sprake was van een stiefkind. Het hof redeneerde analoog dat hier sprake van was. De HR maakte hier korte metten mee, dit resulteerde in het analogieverbod.

7.2.2. Mensenroof (extensieve interpretatie)

Hier werd gebruik gemaakt van een extensieve interpretatie. De HR oordeelde dat “over de grenzen van Europa” niet enkel van binnen naar buiten werkt, maar ook van buiten naar binnen.

7.2.3. Noodtoestand en Opiumwet (overmacht noodtoestand)

De HR was van mening dat de verdachte handelde in overmacht noodtoestand. De verdachte heeft een juiste belangenafweging gemaakt. Enerzijds handelde hij in strijd met de Opiumwet en anderzijds was deze methode de enige om de juiste medicinale cannabis te verkrijgen.

7.2.4. Vrees (noodweer)

Simpelweg komt het er op neer dat het enkel vrees hebben om aangerand te worden op lijf, eerbaarheid of goed onvoldoende is.

7.2.5. Bijlmer schietpartij (noodweerexces)

Het overtreden van een andere regel, in dit geval het hebben van een illegaal vuurwapen, doet niet af het beroep op noodweer of noodweerexces. De keuze van juistheid van het verweer wordt bepaald door subsidiariteit en proportionaliteit. Een ander belangrijk aspect binnen dit arrest is dat onmiddellijk dreigend gevaar wel genoeg is voor “ogenblikkelijk” voor een noodweersituatie.

7.2.6. Ruzie te Loon op Zand (extensief noodweerexces)

Hier is bepaald dat noodweerexces mogelijk is, ook al is verdediging niet meer onmiddellijk bij een 2e graads extensief noodweerexces (verdedigen na de aanranding). Deze (te) late verdediging kan namelijk wel veroorzaakt zijn door een hevige gemoedsbeweging naar aanleiding van direct daarvoor de aanranding.

 

7.2.7. Veearts (ontbreken materiële wederrechtelijkheid)

Dankzij dit arrest is een ongeschreven rechtvaardigingsgrond in het leven geroepen. Kort gezegd is men niet strafbaar wanneer je een norm overtreedt juist om er voor te zorgen dat de strekking van de norm beter beschermd wordt. In dit geval heeft de veearts de koeien ziek gemaakt (wat verboden is) om er voor te zorgen dat ze niet dodelijk ziek worden.

7.2.8. Water en melk (AVAS feitelijke dwaling)

Een knecht wist niet dat hij aangelengde melk verkocht. Dit was wel verboden. Maar de HR was van mening dat de knecht geen schuld had omdat hij niet wist, maar ook vooral omdat hij niet hoefde te weten(dus verontschuldigbaar), dat hij aangelengde melk verkocht. Daarom vond de HR dat de knecht geen schuld had.

7.2.9. Verzwegen vermogen (AVAS rechtsdwaling)

Soms kan je verontschuldigbaar dwalen rondom het recht. Dit hangt af van enkele omstandigheden:

  • Is het gegeven door een onafhankelijk en onpartijdige adviseur?
  • Is de adviseur deskundig rondom het onderwerp?
  • Hoe complex is de materie van het advies?
  • Wat was precies het advies?

7.2.10. Afloxine in pinda’s (AVAS maximale zorg)

In gevallen je maximale zorg hebt betracht en alle regels hebt nageleefd kan je niets verweten worden en dus geen schuld hebben.

7.2.11. Het Spook van de Vrouwenpolder (art. 12 SV)

Beroep om artikel 12 SV is mogelijk ook al is er al vervolging ingesteld indien je verzoekt de verdachte voor een ander (zwaarder) delict te vervolgen.

7.2.12. Vreemdeling (2e materiële vraag)

Voor strafbaarheid is vereist dat alle bestanddelen van een delict in de ter laste legging zijn opgenomen. Ondanks dat tijdens de zaak duidelijk was dat de verdachte een vreemdeling was, werd er OVAR gegeven doordat het bestanddeel vreemdeling niet in de ter laste legging was opgenomen.

7.2.13. Ad informandum

Het is mogelijk om voor één delict meerdere soortgelijke feiten de verdachte ten laste te leggen onder bepaalde voorwaarden. Het voordeel hiervan is dat elk feit niet afzonderlijk behandeld hoeft te worden en dezen hoeven ook niet bewezen te worden. De rechter wordt dan gevraagd deze feiten op te nemen bij de strafbepaling. De voorwaarden zijn:

  • De OvJ verklaard dat bij strafoplegging (4e materiële vraag) de verdachte niet meer zal vervolgen voor alle erkende feiten.
  • Het is de verdachte kenbaar gemaakt vooraf of tijdens de zitting dat de feiten Ad Informandum behandeld zullen worden.
  • Dat het aannemelijk is dat de verdachte de feiten heeft begaan, ofwel door een verklaring in de rechtbank ofwel bij afwezigheid een eerdere verklaring.

Zodra de verdachte beweert één van de AI feiten niet te hebben begaan, dan kunnen de bestreden feiten niet AI behandeld worden.

7.2.14. Onderbouwd standpunt en responsieplicht

Dit is hedendaags opgenomen in artikel 359 lid 2, 2e zin SV. Indien er sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt (UOS) is de rechter verplicht hier op te reageren (responsieplicht). Dit kunnen zowel de OvJ als de verdachte. Bij de OvJ geldt het voor alle vragen waarbij het voor de verdachte enkel speelt bij de 1e of 4e materiële vraag. Het moet wel gaan om:

  • Duidelijk standpunt
  • Tegenover de feitenrechter
  • Door argumenten geschraagd
  • Met een ondubbelzinnige conclusie.

7.2.15. Dreigbrief (wederrechtelijkheid)

Hierin werd wederrechtelijkheid beschreven als het in strijd handelen met het maatschappelijke betamelijke. In casu was de gedraging niet alleen wederechtelijk indien zijn poging tot afpersing zou zijn geslaagd, ook de manier waarop kon als wederrechtelijk gezien worden.

7.2.16. Mijn auto uit (wederrechtelijkheid)

Hier werd 284 SR de wederrechtelijkheid uitgelegd als niet het recht hebben tot.

7.2.17. Ronde Klip (voorwaardelijk opzet)

Doordat de HR redenaarde dat ieder normaal mens weet dat als je een keel langdurig dichtknijpt de persoon dood kan gaan. De HR vond de verdachte een normaal mens en daardoor wist hij dit ook. Door het toch te doen aanvaarde hij (willen) de aanmerkelijke kans hier op. Voorwaardelijk opzet kon daarom bewezen worden.

7.2.18. Amsterdamse spoorwegongeval (schuld)

Hier had de machinist het rode licht niet gezien, maar behoorde dit wel. Er is dan ook sprake van onoplettendheid en onachtzaamheid. Hij was niet hoogst onoplettend of onachtzaam. Er is dus sprake van onbewuste schuld.

7.2.19. Verpleegster (schuld en garantenstellung en beetje causaliteit)

Als verpleegster, althans deskundige, heb je een grotere verantwoordelijkheid. Hierdoor was de onoplettendheid verwijtbaar. Daarnaast staat een fout van een ander causaliteit niet in de weg, want niet de verdachte die het foute middel pakte maar een andere dokter diende het toe. Maar dat ontneemt dus niet de causaliteit.

7.2.20. Onvoldoende rechts houden in Winssen (culpa aanmerkelijke onvoorzichtigheid)

In gevallen van een culpoos gevolgsdelict is aanmerkelijke onvoorzichtigheid nodig. Dit moet op basis van de gedraging bepaald worden. Een klein moment van onoplettendheid is daarom dan ook niet voldoende.

7.2.21. Porche (opzet aanvaarden)

Ondanks dat verdachte wist dat, want ieder normaal mens weet en verdachte is een normaal mens, en ook doorging, had de verdachte geen opzet. Dat komt doordat de verdachte geen opzet had om zichzelf van het leven te beroven wat in casu sprake van had kunnen zijn. Vanuit die benadering kon de verdachte niet de aanmerkelijke kans aanvaard hebben en dus geen opzet.

7.2.22. Slaan met pistool (opzet aanmerkelijke kans)

Hier was de HR van mening dat de kans aanmerkelijk is dat een pistool kan afgaan wanneer je er mee slaat met je vinger bij de trekker. Ieder normaal mens weet dat. Door het toch te doen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard.

7.2.23. Letale longembolie (causaliteit)

Hier werd de redelijke toerekening geïntroduceerd. Zie een eerder hoofdstuk voor het schema.

7.2.24. Haarlemse steekpartij (opzet causaliteit materieel opzetdelict)

Omdat er in casu sprake is van een materieel opzetdelict is er snel sprake van causaliteit. Ook al heeft de medische zorg ernstig tekortgeschoten, dat staat causaliteit nog niet in de weg. Het was immers het doel van de verdachte en dankzij hem was medische zorg vereist. Zonder deze zorg zou de verdachte definitief gestorven zijn.

There are no comments published yet.

Reply.

Send this to a friend