Summaries

Samenvatting Juridische Aspecten van Kennismanagement

Deze samenvatting geeft uitleg over hoe kennis binnen een bedrijf juridisch beschermd kan worden en wat precies kennis en diens waarde is. Dit is voor een vak, Juridische Aspecten van Kennismanagement, dat wordt gegeven aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Inhoudsopgave

Introductie & Algemeen.

Week 1: Kennis.

1.1. Wat is kennis(management)

1.2. Borgen van kennis.

1.3. Kennis toepassen.

1.4. Kennis vergaren.

1.5. Kennis delen.

Week 2: Auteursrecht.

Week 3: Octrooirecht & doel van IE-rechten.

3.1. Octrooirecht.

3.2. Doel IE-rechten.

Week 4: Databankenrecht & Arbeidsrecht.

4.1. Databankrecht

4.2. Arbeidsrecht

4.2.1. Concurrentiebeding. 

4.2.2. Opleidingsbeding.

4.2.3. Geheimhoudingsbeding.

4.2.4. Relatiebeding.

Week 5: Kennis in advocatuur & voetbal

5.1. Voetbal

5.2. Advocatuur

Week 6: UWV.

6.1. Organisatie UWV. 

6.2. Informatieverwerking.

6.3. Kennis.

6.4. Juridische kennismanagementmodellen.

Week 7: Waarde van kennis.

7.1. Jaarrekening & boommetafoor

7.1.1. Boommetafoor

7.2. Intellectueel kapitaal 

7.2.1. Menselijk kapitaal

7.2.2. Structureel kapitaal

 

Introductie & Algemeen

Week 1: Kennis

1.1. Wat is kennis(management)

Kennismanagement is het beheer van kennis in een organisatie. De juiste kennis aanwenden binnen een informatieverwerkingsproces. Dit kan vastgelegde kennis zijn zoals bijvoorbeeld in een kennisdatabank, ook wel informatiemanagement. Waarbij informatiemanagement juist het optimaliseren van informatievoorzieningen is. Juridisch wordt deze kennis gewaarborgd via het intellectuele eigendomsrecht. Het kan ook kennis zijn van de werknemers binnen een bedrijf, niet vastgelegde kennis. Juridisch wordt deze kennis gewaarborgd voornamelijk via het arbeidsrecht. Dit is een soort van human resource management.

Maar wat is kennis? “Kennis is datgene wat je in staat stelt om betekenis aan gegevens toe te kennen en om hieruit conclusies te trekken”. Dit zegt niks over de waarde van de kennis, het is niet meteen ‘ware’ kennis.

Je hebt expliciete en impliciete kennis. Expliciet is ofwel vastgelegd, geobjectiveerd of als object. Impliciet is iets persoonlijks of het hebben van een bepaalde vaardigheid.

Er zijn enkele hoofdthema’s binnen kennismanagement:

1.2. Borgen van kennis

Hiermee voorkom je eventuele verlies van kennis. Bijvoorbeeld wanneer een werknemer vertrekt. Dit kan op twee manieren:

  • Kennis vastleggen
    • Hier zitten wel enkele nadelen aan. Wie bepaalt welke kennis nuttig is? Wat voor de een vanzelfsprekend is hoeft dit niet voor de ander te zijn. Daarnaast kan kennis verouderd Ook moet de kennis eerst begrepen worden voordat je het kan begrijpen, hiervoor kan weer een ander bepaalde hoeveelheid kennis vereist zijn.
  • Socialisatie (werknemers trainen in bijv. groepen of junior/senior)
    • Op deze manier is het vertrek van een werknemer minder erg. Een ander persoon bezit door deze manier ook de kennis. Ook ontstaat hierdoor groepskennis. Drie nadelen zijn dat de nieuw opgeleiden ook direct kunnen vertrekken, de mensen in opleiding nog niet erg productief zijn en de kennis is moeilijk te meten.

1.3. Kennis toepassen

Het verwerken van de informatie

  • Hierdoor voorkom je dat vastgelegde kennis niet wordt gebruikt en dat medewerkers niet verkeerd worden ingezet. Ook het ‘not invented here’, veroorzaakt door het conservatisme, probleem wordt hierdoor opgelost. Dit probleem is dat men denkt de meest wijze te zijn en hierdoor niet naar anderen luistert.
  • Dit doe je via een proces. Waar is welke kennis nodig? Hoe wordt deze kennis vergaard? Waar dient deze kennis te worden vastgelegd? Dit doe je ook wel via een kenniskaart, ook wel yellow pages

1.4. Kennis vergaren

Door het vergaren van kennis kan je innoveren. Een veranderde maatschappij vraagt om vernieuwing. Door vergaring bouw je een voorsprong op je concurrenten. Tot slot kan het zijn dat je hierdoor nieuwe markten aantrekt. Momenteel gebeurt dit te veel waardoor kennismanagement bijna gelijk staat aan innoveren. Er behoort uiteraard een evenwicht tussen elk thema te zitten.

Vergaren kan op meerdere manieren. Je kan zelf onderzoek (research en development, afgekort R&D) doen. Hierdoor maak je zelf nieuwe kennis en behaal je een voordeel op je concurrenten. Maar je kan ook leren van je concurrenten of zelfs je cliënten. Een laatste manier is het binnenhalen van nieuwe kennis via werknemers, human resource management.

1.5. Kennis delen

Kennis delen impliceert eigenlijk dat je kennis ook borgt, en visa versa. Ook bij het toepassen en vergaren speelt het een rol.

Er kunnen echter enkele problemen ontstaan. Allereerst kan het zo zijn dat het bedrijf een cultuur heeft die onderlinge concurrentie simuleert. Om voor de ander te blijven wil je dan niet delen. Zo nemen advocatenkantoren soms meer stagiaires aan dan er uiteindelijk kunnen blijven. Het kost ook veel tijd en geld. Daarnaast, kennis kan je een zekere status opleveren, waarom zou je die uit handen geven?

Door het uit handen geven van kennis als werknemer ben je minderonmisbaar’, waardoor je minder waardevol bent voor een bedrijf om je te houden. Het kan ook je carrière belemmeren. Loyaliteit van de werknemer kan tijdelijk handig zijn voor hem/haar, maar bij een nieuwe inslag van het bedrijf kan dit alsnog het einde betekenen.

Een bedrijf wil juist weer dat kennis gedeeld wordt zodat dit geborgd kan worden. Ook wil een bedrijf op die manier werknemers met elkaar binden en een toekomstvisie creëren.

Week 2: Auteursrecht

Het Auteursrecht schept een tijdelijke en begrensde monopolie op de exploitatie van een werk. Dit recht geldt enkel voor de weergave van het werk. Het idee zelf valt hier niet onder. Om hiervoor in aanmerking te komen zijn er enkele vereisten, volgens het Lancôme/Kecofa arrest:

  • Voor de mens waarneembaar
    Hiermee wordt bedoeld dat het niet slechts een idee mag zijn maar ook daadwerkelijk visueel zichtbaar voor de mens dient te zijn.
  • Eigen oorspronkelijk karakter en persoonlijke stempel van de maker
    Hiermee wordt bedoeld dat de maker zekere creatieve keuzes gemaakt dient te hebben. Er moet iets van ‘hem/haar’ in zitten wat het uniek maakt.
  • Geen aspect voor een technisch vereiste
    Werken met iets technisch als voornaamste doel worden niet beschermd.

Zodra een werk aan deze vereisten verkrijgt de maker/rechthebbende automatisch Auteursrecht op het werk. In artikel 10 Aw staan de soort werken die voor auteursrecht vatbaar zijn. In normale gevallen vervalt het Auteursrecht 70 jaar na de dood van de maker, volgens artikel 37 Aw. In gevallen dat de maker onbekend is of de rechthebbende een rechtspersoon is geldt een termijn van 70 jaar na de eerste rechtmatige openbaarmaking, volgens artikel 38 Aw.

Er zijn twee exploitatierechten die een rechthebbende kan uitoefenen. Volgens artikel 12 Aw is de eerste het openbaar maken. Hieronder wordt verstaan het beschikbaar stellen van het werk aan het publiek volgens het Bigott/Doucal arrest. Hierbij is niet van belang dat het publiek dit ter kennis heeft genomen, de mogelijkheid scheppen is voldoende. Ook verdere openbaarmaking valt hieronder. Een radio die een lied uitzend is een openbaarmaking, een (rechts)persoon die via de radio het nummer aan het publiek beschikbaar stelt doet aan verdere openbaarmaking (Caféradio arrest), mits het publiek een onbepaald aantal is en in groten getale. Een uitzondering hierop is het binnen ‘familiekring ‘openbaren, welke restrictief dient te worden uitgelegd (Dreeshuis/Buma arrest).

De tweede staat in artikel 13 en 14 Aw, verveelvoudiging. Hieronder zijn vier soorten te onderscheiden:

  • Slaafse nabootsing, oftewel (nagenoeg) 1 op 1 kopiëren/overnemen.
    Dit valt altijd onder de artikelen en behoudens wettelijke uitzonderingen dan ook altijd een inbreuk.
  • Verveelvoudiging in gewijzigde vorm
    Dit levert een inbreuk (Infopaq I en II arrest) op indien de bewerker auteursrechtelijke trekken (Van Gelder/Van Rijn arrest) van het werk overneemt. Bepalend hierbij is de totaalindruk die beide werken wekken (Decaux/Mediamax arrest). Bij een overeenstemmende totaalindruk is er sprake van een inbreuk.
  • Bij verveelvoudiging een geheel nieuw auteursrechtelijk beschermd werk creëren.
    Dit is geen inbreuk volgens artikel 13 Aw. Hierbij dient het werk zodanige afstand te hebben van het origineel en dient de maker in zodanige mate een persoonlijke stempel te hebben meegegeven.
  • Verveelvoudiging en daarbij een niet nieuw auteursrechtelijk werk creëren.
    Dit kan zijn het vertalen van het boek. Bij het vertalen zijn creatieve keuzen gemaakt welke op zichzelf een nieuw auteursrechtelijk beschermd werk creëert. Doordat het element ‘nieuw’ mist blijft dit desalniettemin een inbreuk volgens artikel 13 Aw indien de rechthebbende geen toestemming heeft gegeven. Wil iemand het bewerkte werk gebruiken, dan dient deze toestemming te hebben van beide rechthebbenden.

Zonder toestemming, of een wettelijke uitzondering, gebruik maken van zo’n exploitatierecht zorgt voor een inbreuk. Tegenwoordig is het omzeilen van een (technische) kopieerbeveiliging of de (technische) controle van wie recht heeft op gebruikmaking van het werk, ook een inbreuk volgens de artikelen 29a en 29b Aw. De maker heeft ook nog enkele persoonlijkheidsrechten, ook al heeft hij het auteursrecht overgedragen aan een ander. Zie ook artikel 25 Aw.

Een rechthebbende kan zijn rechten niet inroepen wanneer zijn recht is uitgeput. Hiermee wordt bedoeld dat, wanneer een werk rechtmatig in handel is gebracht, de rechthebbende zijn exploitatierecht (openbaarmaking) niet kan inroepen tegen het verder verhandelen via eigendomsoverdracht (art. 12b Aw) van een door of namens de rechthebbende in het verkeer gebrachte exemplaar. Zijn exploitatierecht is voor dat exemplaar uitgeput.

In hoofdstuk 1, paragraaf 6 van de Aw vind je een aantal andere uitzonderingen. Hierbij is altijd vereist dat het gaat om bepaalde bijzondere gevallen, geen afbreuk plaatsvindt aan de normale exploitatierechten en de wettelijke belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.

Soms gaat het Auteursrecht niet naar de maker maar naar een rechthebbende. Dit kan gebeuren in twee gevallen. De eerste is wanneer het werk is gemaakt ten behoeve van een werkgever volgens artikel 7 Aw. Of iets ten behoeve van de werkgever is geschapen dient beoordeeld te worden aan de hand van de normale arbeid van de maker. Bij software: indien het tot de taak van de maker behoorde voortvloeiend uit de arbeidsverhoudingen (Gorter/PTT arrest), dan verkrijgt de werkgever het Auteursrecht. Het tweede geval is, volgens artikel 6 Aw, wanneer het werk naar ontwerp en onder leiding van een ander is gemaakt.

Het voordeel van het Auteursrecht is dat het automatisch gebeurt. Het vereist geen handelen. Hierdoor is het snel (onmiddellijk) en goedkoop (gratis). In beginsel wordt het Auteursrecht ook wereldwijd erkent. Een nadeel is echter dat het enkel de weergave maar niet het idee zelf beschermt. Soms kan het ook onduidelijk wie exact rechthebbende is.

Week 3: Octrooirecht & doel van IE-rechten

3.1. Octrooirecht

Octrooien zien toe op uitvindingen welke nieuw, inventief en toepasbaar zijn op het gebied van de nijverheid. Indien je zo’n uitvinding hebt kan je een aanvraag doen om je uitvinding te beschermen. Hieronder een uitleg voor elke vereiste ten tijde van de aanvraag:

  • Nieuw
    De uitvinding dient nieuw te zijn. Het mag niet waar dan ook op de wereld gepubliceerd of in gebruik Het kan wel enkele aspecten bevatten van andere uitvindingen, zolang het ander niet in één openbaarmaking overeenkomt met eigen uitvinding.
  • Inventiviteit
    De uitvinding moet niet voor de hand Een vakman, welke geen creativiteit bezit, moet niet nagenoeg gedwongen worden om dezelfde oplossing te gebruiken voor een probleem. Dit wordt bekeken via de zogeheten Problem Solution Approach:

    • Welke gepubliceerde / openbare uitvinding uit de stand van de techniek kan beschouwd worden als de meest nabije? Algemene vakmankennis wordt hierbij meegerekend.
    • Welke technische maatregelingen van de aangevraagde uitvinding onderscheiden zich van deze nabije uitvinding?
    • Welk objectief probleem wordt hierdoor opgelost?
    • Is het voor een vakman zonder creativiteit vanzelfsprekend dat dit probleem met deze technische maatregelen wordt opgelost?
  • Toepasbaarheid
    • Technisch
      De uitvinding dient een technisch probleem op te lossen.
    • Duidelijk
      De beschrijving van de uitvinding dient duidelijk genoeg te zijn dat een vakman aan de hand daarvan het octrooi kan toepassen.

In beginsel krijgt de aanvrager van een octrooi het recht voortvloeiend hieruit. In artikel 8 ROW wordt er van uit gegaan dat de aanvrager ook de uitvinder is. Indien de aanvrager onrechtmatig heeft aangevraagd kan de daadwerkelijke uitvinder zich hiertegen verzetten. Indien de uitvinding is gedaan in dienstverband en behoorde de werkzaamheden ook tot de taken van de werknemer, dan komt het recht van aanvraag toe aan de werkgever, volgens artikel 12 ROW. Deze werknemer kan wel een vergoeding vragen indien zijn loon niet in verhouding staat tot het voordeel die de werkgever geniet, volgens artikel 12 lid 6 ROW. Vraagt de werknemer toch een octrooi aan, dan wordt deze buiten beschouwing gelaten volgens artikel 12 lid 4 ROW.

Een aanvraag kan geschieden in Nederland (eerste spoor), Europees (tweede spoor) of internationaal (derde spoor). Bij de Europese variant wordt een nationaal octrooi verkregen voor elk door de aanvrager aangegeven land, net zoals bij de internationale variant. Maar bij een Europese aanvraag kan in een ander tijdens procedure oppositie bieden. Een octrooi is enkel en alleen beschermd in de landen waarin de rechthebbende een octrooi heeft op de uitvinding. In andere landen mag men aan de haal gaan met de uitvinding, maar niet vermarkten naar de landen met het octrooi. Daarbij is het altijd zo, first come first served. Als iemand tegelijk dezelfde uitvinding heeft gedaan wint diegene die als eerste de aanvraag indient.  Een nadeel van de Nederlandse octrooi is dat deze in beginsel altijd gegeven wordt, mits voldaan wordt aan de processuele vereisten. Dit betekent echter niet dat zo’n uitvinding nieuw of inventief genoeg is en dus stand houdt in een gerechtelijk geschil.

Een ander mag niet zonder toestemming van de octrooirechthebbende de uitvinding exploiteren. De rechthebbende kan winst behalen door de uitvinding toe te passen (de werkwijze toepassen of voortbrengsel produceren). Deze kan ook het octrooi verkopen of een licentie voor gebruikmaking verkopen.

Een octrooi is het meest omvattende IE-recht, de omschrijving bepaalt de omvang. Het kan daarom grote gevolgen hebben. Het kan een bedrijf makkelijk failliet maken en is zeer belangrijk voor concurrentie. Daarentegen is het een onzeker recht, dat een octrooi verleend is betekent niet dat het niet vernietigd wordt in een rechtszaak. Zo’n rechtszaak kan erg kostbaar zijn, dankzij 1019h rechtsvordering kan partij volledige proceskostenvergoeding eisen tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Daarbij, een octrooi geldt enkel voor het land van aanvraag, welke op zichzelf al zeer duur is.

Tot slot wordt een octrooi openbaar gemaakt, waardoor iedereen de kennis kan vergaren. Soms kan het daarom wijzer zijn een uitvinding geheim te houden. Het nadeel daarvan is dat bij openbaarmaking je niet beschermd bent.

3.2. Doel IE-rechten

Het doel van IE-rechten is voornamelijk om de investeringen van het maken van de uitvinding te rechtvaardigen. Hier zit namelijk meestal hoge kosten aan. Daarnaast is het vaak onzeker of het onderzoek een succes is. Verder zou er zonder de bescherming van het IE-recht een concurrent een uitvinding kunnen ‘reverse engineeren’, ofwel, uit elkaar halen om te zien hoe het gemaakt is, en zo hier gebruik van kunnen maken. Concurrenten gebruiken maar al te graag van nieuwe technieken.

Daarnaast heeft het IE-recht de bedoeling om kennisdisseminatie te creëren. Het verspreiden en delen van kennis zodat anderen het kunnen gebruiken. De kennis wordt namelijk openbaar gemaakt dankzij het IE-recht, waarbij het zonder geheim gehouden zou worden. Men kan deze kennis gebruiken voor verder onderzoek doordat het enkel de toepassing beschermd.

Een nadeel is echter dat men dankzij het IE-recht een monopolie op kennis mogelijk is. Soms heb je andere rechthebbende nodig om een bepaald product te maken vanwege al deze rechten. Het kan ook zijn dat een octrooi zo ruim geformuleerd is dat voortbouwen op deze kennis nagenoeg onmogelijk is.

Week 4: Databankenrecht & Arbeidsrecht

4.1. Databankrecht

Het databankenrecht beschermd de investering om een verzameling van gegevens te maken, zie in het specifiek artikel 1 lid 1 van de Databankenwet. In tegenstelling tot Auteursrecht hoeft dit niet oorspronkelijk te zijn, het vereist wel een mate van investering. Bij het doen van zo’n investering schep je zo’n recht. Door dit Databankenrecht mogen anderen de gegevens niet opvragen (vgl. verveelvoudigen) of hergebruiken. Desalniettemin blijft er eventueel Auteursrecht berusten op de losse elementen die in zo’n databank zitten. Het doet niet het Auteursrecht teniet.

Bij databankenrecht krijgt de investeerder het recht. Diegene die alle risico’s draagt. Dit kan ook in de vorm van inspanning zijn. Over het algemeen is dit nagenoeg altijd een bedrijf.

4.2. Arbeidsrecht

Het arbeidsrecht kan de kennis binnen een bedrijf op meerdere manieren beschermen. Dit ziet toe op impliciete kennis, kennis van de werknemers. In tegenstelling tot expliciete kennis kan een bedrijf geeneigendom’ hebben op impliciete kennis. Een werknemer is eigendom van in zijn hoofd zittende kennis. Dit zie je heel goed terug in artikel 19 lid 3 Gw, vrije keuze van arbeid. Toch kan een bedrijf de kennis van zo’n werknemer (tijdelijk) aan zich laten binden. Dit kan via een concurrentiebeding, opleidingsbeding, geheimhoudingsbeding en relatiebeding. Maar waarom zou je dit doen? Je zou kunnen zeggen dat je de kennis van de werknemer zou kunnen borgen. Dat kan ook deels. Maar elke werknemer is uniek en heeft zijn eigen waarde. Het vervangen kost ook tijd en geld. Tevens, bij verlies is de kennis ook voor altijd weg. Sommige kennis kan je niet overnemen, sommige kennis berust op ervaring. Dit is niet los te koppelen.

4.2.1. Concurrentiebeding

Het concurrentiebeding is wettelijk geregeld in artikel 7:653 Bw. Het bepaalt dat een werknemer na ontslag niet werkzaam mag zijn op een bepaald gebied, binnen een bepaald territoriaal bereik voor een bepaalde duur. Het moet gaan om en schriftelijke overeenkomst bij een meerderjarige werknemer voor onbepaalde duur. Tijdelijke contracten mogen dus niet, tenzij er zwaarwegende belangen zijn. Daarnaast moet het gaan om bijzondere kennis, algemene kennis valt hier niet onder. Zo kan iemand in de horeca als kok werken, wat speciale kennis vereist en vervolgens prima elders als barkeeper werken omdat het over het algemeen geen bijzondere kennis vereist. Dit is ook de sterkste vorm in het arbeidsrecht om kennis binnen een bedrijf te behouden doordat het vergaande gevolgen heeft voor de werknemer.

Door zo’n beding bindt de werkgever de kennis aan zich doordat de werknemer gedemotiveerd wordt om te vertrekken doordat zijn werkvrijheid bemoeilijkt wordt.

Een werkgever kan zich niet beroepen op zo’n beding indien het ontslag door toedoen van de werkgever is. Wettelijk wordt hierover gesproken wanneer oud-werkgever schadeplichtig is jegens oudwerknemer door de wijze van ontbinding, zie hiervoor artikel 7:677 Bw. Ook kan een concurrentiebeding onredelijk zijn indien dit onbillijk is. Denk hierbij aan:

  • Onredelijk functioneel bereik.
    De beroepsomschrijving is zo breed dat bijna alles hieronder valt.
  • Onredelijk temporeel bereik
    Na ontslag blijft het beding te lang in werking. Gebruikelijk is 1 jaar.
  • Onredelijk geografisch bereik
    Als het bereik zo groot is dat men nergens meer kan werken. Dit druist in tegen het vrij verkeer van diensten beginsel.

Bij schending van zo’n beding heeft de oud-werkgever recht op een (schade)vergoeding wegens wanprestatie bij de werknemer of onrechtmatige daad van de nieuwe werkgever.

4.2.2. Opleidingsbeding

In tegenstelling tot een concurrentiebeding wordt de werknemer niet de vrijheid ontnomen om elders te werken. Maar dient deze een vergoeding te betalen aan oud-werkgever voor het verschaffen van een opleiding op zijn/haar kosten, indien werknemer tijdens of binnen bepaalde tijd na de opleiding ontslag neemt. Opgeleid worden door middel van socialisatie, zie eerdere hoofdstukken, valt hier niet onder. Het moet cursus of opleiding behelzen welke niet intern in het bedrijf gevolgd is. De vergoeding bedraagt een percentage van de opleidingskosten. Hoe meer tijd verstreken is sinds voltooiing van de opleiding, des te lager het percentage. Ondanks dat het slechts om een percentage gaat kan het om veel geld gaan, opleidingen zijn immers dure aangelegenheden.

Op deze wijze bindt een werkgever zojuist vergaarde kennis aan zich. Dit voorkomt dat deze nieuwe kennis direct de deur uit wandelt. Het wordt vaak gebruikt in combinatie met een concurrentiebeding en wordt samen als ideaal geacht.

4.2.3. Geheimhoudingsbeding

Het gebruiken van een geheimhoudingsbeding is een grote tegenhanger van het octrooirecht. Dit verplicht de werknemer om bedrijfsgeheimen, informatie niet bedoeld voor het publieke domein, je raad het al, geheim te houden. Schending hiervan is strafbaar op de voet van 273 lid 1 Sr. Het is ook een reden voor ontslag op staande voet volgens art. 7:678 lid 2 sub i Bw. Het verschil met het octrooirecht is dat zo’n beding (veel) minder bescherming biedt. Daarentegen blijft de kennis, als het goed is, wel geheim en niet openbaar wat bij een octrooi wel het geval is.

Ook zonder zo’n beding kan het doorgeven van bedrijfsgeheimen in strijd zijn met wat men in het verkeer betaamt te doen en zo een onrechtmatige daad begaan. Zie dan ook het Lindebaum/Cohen arrest. Zo vallen klantgegevens ook onder bedrijfsgeheimen.

4.2.4. Relatiebeding

Een relatiebeding belemmert de inmiddels oud-werknemer om klanten te benaderen van oud-werkgever. Het ziet in tegenstelling tot de andere bedingen niet direct toe op kennis binnen een bedrijf. Indirect wel omdat een werknemer specifieke kennis kan bezitten over een klant. Soms wordt in de rechtspraak te ruime concurrentiebedingen omgezet in een relatiebeding om het redelijk te houden. Let wel op, klanten mogen wel op eigen initiatief de oud-werknemer benaderen, hierdoor ontstaat geen schending van het beding.

Week 5: Kennis in advocatuur & voetbal

5.1. Voetbal

Bepaalde kennis, of vaardigheden, op een zodanige manier borgen dat iemand niet naar een andere werkgever kan is volgens het Bosman arrest in strijd met het vrije verkeer van werknemers. Hierbij ging het om dat een voetballer een certificaat (lees: toestemming) nodig had van zijn oude club/werkgever voordat hij elders mocht werken. Het transfersysteem binnen de voetbal is daarom omgegooid. Helaas is dit nieuwe systeem ook in strijd met EU recht. Dit systeem regelde dat elke club die bijdroeg aan de opleiding van de voetballer een vergoeding kreeg van de nieuwe club waarbij de voetballer toetrad. Dit is onredelijk doordat het geen bepaalde duur kent. Een ruime concurrentiebeding gaat ook niet, want het mag enkel voor een bepaalde tijd en niet te ruim doordat dit anders onredelijk is wegens EU-recht.

Dit is uiteraard erg vervelend voor clubs, zij besteden immers veel geld aan het opleiden van voetballers. Dit betreft enkel impliciete kennis. Zoals we eerder hebben gezien kun je hier geen eigendom op hebben. Verkoop van spelers is hun voornaamste inkomstenbron. Zonder een transfersysteem verdient een club niet meer veel aan een speler, er is dan ook geen reden meer voor hen om de investeringen in de opleiding te rechtvaardigen.

5.2. Advocatuur

Concurrentiebedingen zijn, omwille van een goede rechtsbijstand, niet toegestaan in de advocatuur. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft een modelovereenkomst opgesteld waarbij advocaat-stagiaires een vergoeding betalen aan oud-werkgever indien ze winst behalen met een klant van de oud-werkgever. Een relatiebeding is bij advocaat-stagiaires toegestaan mits dit maximaal 1 jaar betreft en hier toestemming is gegeven door de raad van toezicht van de orde. Dit wordt echter enkel gegeven bij specifieke lokale omstandigheden.

Binnen de advocatuur kan je drie typen kenniswerk onderscheiden:

  • Brain (specialist)
    Deze bezit op een specifiek gebied een grote hoeveelheid kennis. Dit verkrijg je door de juiste mensen te werven. Een gevaar hier is dat men geen routine klussen moet toespelen naar de specialist.
  • Grey hair (ervaren jurist)
    Deze bezit op bepaalde gebieden veel ervaring, waardoor deze niet-standaard gevallen of uitzonderingen goed op kan merken. Dit verkrijg je door kennisvergaring te stimuleren en door aan socialisatie te doen. Het gevaar is dat juristen de neiging hebben om het expertisegebied eigen te maken.
  • Procedure (routine personeel)
    Standaard werk, zoals het maken van standaardaktes. Dit kan het beste geborgd worden door de kennis vast te leggen via bijvoorbeeld een kennisbank. Een gevaar is dat er fouten gemaakt kunnen worden doordat uitzonderingen niet herkend worden.

Bij grote advocatenkantoren verzorgen partners het contact met (grote) klanten. Dit in verband met klantenbinding. Doordat ze partner zijn hebben ze een aandeel in het bedrijf. Als ze weglopen verliezen ze hier dan zelf ook onder. Niet-partners worden om die reden vermeden voor klantencontact, zij hebben immers minder last bij vertrek. Dit is erg belangrijk in de advocatuur doordat klanten veel waarde hechten aan bepaalde advocaten, mede doordat die advocaten door de jaren heen het bedrijf beter begrijpen dan een ander. De grote kantoren hanteren daarom vaak de cultuur dat je of partner wordt of op den duur eruit wordt gezet om klantbinding te voorkomen.

Week 6: UWV

Doordat het UWV taak heeft om enkele wettelijke bepalingen uit te voeren is de kennis die UWV bezit van juridische aard.

6.1. Organisatie UWV

De UWV kent drie afdelingen. De afdelingen SMZ en de afdeling Uitkeren behandelen primaire besluiten. De afdeling Bezwaar & Beroep (B&B) behandelen, niet geheel onverwacht, bezwaar en beroep. SMZ behandeld sociaal medische zaken en hebben artsen en arbeidsdeskundigen als medewerkers. Afdeling uitkeren behandelen de wettelijke taken van de UWV. Dit zijn daarom ook juridische werknemers. Een werknemer bij afdeling Uitkeren behandeld meestal één wet waarbij de werknemers bij B&B alle wetten dienen toe te kunnen passen. Bij onenigheid betreffende een primair besluit kan men in bezwaar bij de afdeling B&B, waarna je in beroep kan gaan bij de rechtbank en in hoger beroep de Centrale Raad van Beroep.

6.2. Informatieverwerking

De primaire afdeling selecteert welke gegevens relevant is voor behandeling van een verzoek. Welke feiten en omstandigheden. Deze informatie dient gekwalificeerd te worden aan de hand van de wet, regelgeving, rechtsgevolg en de verzoek zelf. Deze informatie wordt meestal opgeslagen in een (elektronisch) document. Ordening van dossiers vindt plaats aan de hand van de rechtsvraag.

6.3. Kennis

De UWV heeft als taak bepaalde wetten uit te voeren. Dit doen ze door middel van het nemen van besluiten op grond van 1:3 AWB. Hiervoor is informatie en kennis nodig. De expliciete kennis van de UWV bevindt zich in de (kennis)systemen van de organisatie, net zoals de vereiste informatie. Het kennissysteem bestaat momenteel uit een juridische kennisdatabank. De impliciete kennis zit uiteraard in de mensen zelf.

De primaire afdelingen behandelen vooral de ‘wat’. Wat wordt vastgesteld en wat wordt besluit? Daarentegen kijkt de afdeling B&B meer naar hoe, hoe is men tot dit besluit gekomen? Computersystemen helpen hierbij, maar het brengt het informatieplicht in gevaar doordat ze zo nauwkeurig zijn. Desalniettemin spelen ze een belangrijke rol.

6.4.  Juridische kennismanagementmodellen

Zoals eerder beschreven zijn er drie typen kennismodellen. De brain, grey hair en procedure. Ook de UWV maakt hier gebruik van. De procedure wordt vooral gebruik voor primaire besluitvorming doordat dit snel kan gebeuren en weinig juridische kennis vereist. De grey hair projects zijn vooral de bezwaar en beroepszaken. Doordat het geen routine meer betreft vereist het een ervaren jurist. In gevallen van principiële hoger beroepszaken gaat men naar brain projects. Dit vereist gespecialiseerde kennis en creatieve oplossingen. Gevaren die kunnen spelen is dat de brain projecten wel bij de specialisten terecht dienen te komen. Maar wie bepaalt dat wanneer iets een brain project is? Daarnaast is er een discussie of specialisten mogelijk iets meer dienen te generaliseren zodat ze meer leren doordat hun wereldbeeld mogelijk wordt verstoord door anderen en hieruit leren, ofwel constructivisme. Bij routinematige projecten ligt het gevaar dat men bepaalde relevante informatie over het hoofd kan zien.

 

Week 7: Waarde van kennis

7.1. Jaarrekening & boommetafoor

Hoe goed het gesteld staat met een bedrijf kun je niet altijd aflezen vanuit een jaarrekening. Een jaarrekening is verplicht op grond van 2:362 Bw. Het geeft men inzicht in de winstgevendheid van een onderneming. In een jaarrekening mist de hoeveelheid en kwaliteit van kennis die een bedrijf heeft. Zo kun je niet zien hoe ver men is met het doen van een onderzoek en of men kennis vergaart om de toekomst te kunnen weerstaan. Je ziet mogelijk enkel de kosten van zoiets. Maar kennis is wel bepalend voor de waarde van een bedrijf. Zo kan een bedrijf veel activa (bezittingen) hebben en weinig passiva (schulden). Maar een bedrijf is meer waard dan de balans (activa minus passiva) indien de kennis van het bedrijf en de investering die het doet in kennis op goed niveau zit. Daarom kan het zijn dat een bedrijf op de beurs het dubbele waard is terwijl de balans van het bedrijf veel minder is.

7.1.1. Boommetafoor

Dit hierboven kan verklaard worden aan de hand van de boommetafoor. De bloei van de boom is de winst van een bedrijf. Dit kan op enig moment goed of slecht zijn. Maar belangrijker zijn de wortels, die de kennis vertegenwoordigd. Als de boom weinig wortels heeft kan het mogelijk het jaar niet overleven. Als je hier in gaat snijden, ofwel bezuinigen, kan je op den duur hier last van ondervinden.

7.2. Intellectueel kapitaal

Om de waarde van kennis te bepalen maakt men gebruik van intellectueel kapitaal. Dit is menselijk kapitaal plus structureel kapitaal. Het nut om dit te meten is zodat je naar buiten toe gezond lijkt en daarmee geld kan aantrekken. Ook kun je je aandeelhouders hiermee informeren hoe het gaat. Binnen het bedrijf kun op deze manier aandacht vestigen op kennismanagement.

Het probleem hierbij is dat het moeilijk te meten is. Hoeveel is immers een werknemer waard? Hoeveel is een octrooi waard? Het zou makkelijk zijn om hier zelf een waarde aan te hangen om goed naar buiten te kunnen komen. Hierom bestaat het voorzichtigheidsbeginsel. Impliciete of expliciete kennis zet je niet zomaar op een jaarrekening. Enkel bezittingen mogen geactiveerd worden en daarom terug te vinden zijn op de jaarrekening. De vereisten hiervoor zijn dat er sprake is van een vorm van eigendom, objectief meetbaar in geld en het moet winst kunnen opleveren. Hierdoor zal impliciete kennis nooit op een jaarrekening terecht kunnen komen, je kan immers geen kennis bezitten van werknemers.

Het vervelende is echter, door het niet (mogen) activeren van de kennis zie je enkel de kosten hiervan op de jaarrekening. De verworven kennis zie je meestal niet op de jaarrekening.

Onder slechts enkele omstandigheden mogen immateriële goederen geactiveerd worden, volgens 2:365 Bw. Zo kan de kosten van ontwikkeling meegenomen worden. Maar ook gekochte octrooien mogen meegerekend worden, zelfgemaakt niet. Door de koop zit er een prijskaartje aan het octrooi waardoor het gebruikt mag worden. Dit zijn echter meestal kosten, welke over het algemeen niet bijdragen aan de waarde van een bedrijf.

7.2.1. Menselijk kapitaal

De waarde van menselijk kapitaal, de kennis en vaardigheden van werknemers, wordt bekeken aan de hand van verschillende indicatoren:

  • Opleidingsniveau van personeel
  • De investering in opleidingen of cursussen
  • De demografie van het personeel. Wat is de gemiddelde leeftijd en aantal dienstjaren?

Juridisch kun je het arbeidsrecht gebruiken om dit te verbeteren zoals beschreven in eendere hoofdstukken. Het effect is echter maar gering.

7.2.2. Structureel kapitaal

Structureel kapitaal, al het faciliterende waardoor werknemers productief kunnen zijn, ofwel bepaalde bezittingen van een onderneming, wordt bepaald door enkele indicatoren:

  • Klantrelaties
    Juridisch kan je het databankenrecht (klantendatabase) en merkenrecht of handelsnamenrecht gebruiken om de waarde te verbeteren.

    • Aantal klanten
    • Marktaandeel van deze klanten tezamen
    • De index van tevredenheid van klanten
    • De gemiddelde duur van een klantrelatie
    • Het verlies van klanten
  • Bedrijfscultuur
    Juridisch zou het octrooirecht (op bedrijfsvoering) of een handelsnaam de waarde van dit aspect kunnen verbeteren.

    • De tevredenheid van het personeel
    • De hoogte van het scholingsbudget
    • De hoogte van het ziekteverzuim
    • De aantrekkingskracht voor nieuw personeel
  • Expliciete kennis

 

There are no comments published yet.

Reply.

Send this to a friend