Summaries

Samenvatting Burgerlijk Recht 1

Deze samenvatting burgerlijk recht 1 is voor een vak dat wordt gegeven aan de Rijksuniversiteit Groningen. Deze burgerlijk recht 1 samenvatting behelst onder meer de basis van het personen en familierecht. Verder zal er worden in gegaan op goederrechtelijke aspecten in samenhang met allerlei privaatrechtelijke verbintenissen en de gevolgen hiervan.

Download de samenvatting als PDF of lees het online:

Aan de hand van alle hoor- en werkcolleges en de voorgeschreven literatuur.

Samenvatting burgerlijk recht 1

Introductie & Algemeen.

1. Personen-, familie- en erfrecht.

1.1. Personen & familie.

1.1.1. Curatele, bewind & mentor

1.1.2. Vader, moeder & kind(eren)

1.1.2.1. Erkenning.

1.1.2.2. Onderhoudsplicht

1.1.2.3. Gezag.

1.1.2.4. Moeder

1.1.2.5. Vader

1.1.3. Huwelijk.

1.1.4. Vermogensrechtelijke gevolgen huwelijk.

1.1.4.1. Huwelijkse voorwaarden.

1.1.4.2. Rechten en plichten.

1.1.4.3. Gemeenschap van goederen.

1.2. Erfrecht

1.2.1. Uiterste wil / testament

1.2.2. Wettelijke bepalingen.

2. Algemeen goederenrecht.

2.1. Algemene begrippen.

2.2. Bezit & houderschap: overdracht

2.2.1. Bezitsverkrijging.

2.2.1.1. Bezitsoverdracht

2.2.2. Bezitsverlies

2.2.3. Bezit te goeder/kwader trouw.

2.2.4. Verkrijging onder titel

2.2.5. Verkrijging onder verjaring.

2.2.6. Originaire verkrijging.

3. Overdracht onder bijzondere titel

3.1. Algemeen.

3.2. Titel

3.3. Levering.

3.3.1. Onroerende zaken & registergoederen.

3.3.2. Roerende zaken.

3.3.3. Rechten aan toonder of order

3.3.4. Rechten op naam..

3.3.5. Beperkte rechten.

3.3.6. Overige gevallen.

3.4. beschikkingsbevoegdheid & Derde bescherming.

4. Eigendom & beperkte rechten.

4.1. Eigendom.

4.2. Burenrecht

4.3. Beperkt recht

4.3.1. Genotsrechten.

4.3.1.1. Vruchtgebruik.

4.3.1.2. Erfpacht

4.3.1.3. Appartementsrecht

4.3.1.4. Opstal

4.3.2. Zekerheidsrechten.

4.3.2.1. Pandrecht

4.3.2.2. Hypotheek.

5. Totstandkoming overeenkomsten.

5.1. Overeenkomsten.

5.1.1. Vertrouwensleer

5.1.2. Overdracht van den verklaring.

5.2. Onjuiste overeenkomsten.

5.2.1. Nietige overeenkomsten.

5.2.2. Vernietigbare overeenkomsten.

6. Inhoud overeenkomsten & tekortkomingen (wanprestatie)

6.1. Inhoud overeenkomsten.

6.1.1. Niet altijd zuivere taalkundige uitleg.

6.1.2. Wel taalkundige uitleg.

6.1.3. Beperkende werking.

6.1.4. Onvoorziene omstandigheden.

6.2. Tekortkomingen & Wanprestatie.

6.2.1. Tekortkoming.

6.2.2. Nakoming.

6.2.3. Schadevergoeding.

6.2.3.1. Toerekenbaarheid (wanprestatie) 

6.2.3.2. Verzuim.

6.2.4. Ontbinding.

6.2.4.1. Gevolgen ontbinding.

6.2.5. Opschorting.

7. Verbintenissen uit de wet & schadevergoeding.

7.1. Onrechtmatige daad.

7.2. Kwalitatieve aansprakelijkheid.

7.2.1. Kinderen.

7.2.2. Ondergeschikten.

7.2.3. Dieren.

7.3. Overige verbintenissen.

7.3.1. Zaakwaarneming.

7.3.2. Onverschuldigde betaling.

7.3.3. Ongerechtvaardigde verrijking.

7.4. Omvang schadevergoeding.

Slot.

Introductie & Algemeen

Leuk dat je de samenvatting gaat lezen! Er wordt veel verwezen naar bepaalde wetsartikelen, maar er zijn er veel meer die van belang zijn. Vaak zit in de nabijheid van de verwezen artikelen ook andere relevante artikelen. Neem deze door en kijk tijdens het tentamen goed naar deze, vaak uitzonderingen, bepalingen.

1. Personen-, familie- en erfrecht

Voor deze week zijn de boeken 1 en 4 van het Burgerlijk Wetboek van groot belang. Boek één omvat grotendeels familierechtelijke relaties en persoonlijke rechten. Boek vier gaat slechts over het erfrecht, waarbij enkele bepalingen in boek één een rol zullen spelen.

1.1. Personen & familie

Dit onderwerp is zeer groot en breed. Er zijn veel bepalingen en uitzonderingen. Het advies is om niet alles te leren maar vooral kernbepalingen en schakelbepalingen te leren en te weten waar overige bepalingen dan wel uitzonderingen te vinden zijn. De grootte van dit hoofdstuk staat dan ook niet in verhouding tot het tentamen, maar kennis op elk van de onderdelen zijn wel nodig. Het tentamen zal waarschijnlijk slechts een zeer beperkte aantal aspecten van dit hoofdstuk behandelen. Om het hoofdstuk niet te groot te maken zal in sommige gevallen verwezen worden naar een wet zonder verdere diepgang.

Europa heeft een grote rol gespeeld in ons recht in relatie tot personen- en familierecht. Zo zegt artikel 8 EVRM dat de overheid respect moet hebben op het familieleven. Dit houdt in dat biologische en sociale werkelijkheden heersen over de juridische assumpties die een land doet.

Ons recht is zo goed als mogelijke, sekseneutraal. Bij slechts enkele bepalingen speelt het geslacht, zoals bij geboorte van een kind, een rol. Voor de rest wordt er in de wet gerefereerd naar “persoon”. Hierbij wordt bedoeld, een natuurlijk persoon. Er is sprake van een natuurlijk persoon vanaf geboorte tot de dood.

Voordat we inhoudelijk op dit onderwerp in gaan is het belangrijk om te weten dat er onderscheidt gemaakt moet worden tussen de natuurlijke ouder en de juridische ouder. In dit onderwerp wordt er altijd gesproken over de juridische ouder, tenzij anders is aangegeven. Ook in de wet wordt er altijd gesproken over de juridische ouders tenzij anders beschreven (bijv. “verwekker”).

In artikel 1:4 BW is het recht op voornaam beschreven. In lid 2 wordt beschreven dat ongepaste namen of namen die overeenstemmen met geslachtsnamen (hierna: achternaam) geweigerd worden. Artikel 1:5 BW betreft de achternaam.

Ook ongeboren kinderen hebben rechten volgens 1:2 BW zolang dit in zijn belang is.

1.1.1. Curatele, bewind & mentor

Bij meerderjarigen kan bewind worden ingesteld middels 1:431 BW. In geval van afwezigheid dan wel vermissing of overleiden kan bewind via 1:409 BW worden ingesteld. Let bij beide gevallen goed op de eisen in de vervolgartikelen.

Bij meerderjarigen kan mentorschap worden ingesteld middels 1:450 BW.

In titel 16 (vanaf 1:378 BW) staat curatele beschreven. Ook hier dient er weer goed gekeken te worden naar de eisen en de vervolgbepalingen. Neem ook in acht dat personen die onder curatele komen gepubliceerd worden. Men behoort dus te weten dat iemand onder curatele staat. Dit resulteert in dat men geen beroep kan doen op te goeder trouw.

Het verschil tussen de drie manieren van “toezicht” zit hem in twee aspecten. De eerste is dat elke andere eisen stelt. Je kan stellen dat bij ernstigere omstandigheden er sprake is van curatele, vervolgens bewind en tot slot mentorschap. Het andere aspect is de strekking. Curatele ziet toe op zowel financiële en persoonlijke beslissingen. Terwijl bewind slechts toeziet op financieel en mentor op persoonlijk. Wat alle drie de vormen van toezicht in gemeenschap hebben is dat ze allemaal handelingsonbekwaamheid veroorzaken op de voorgeschreven strekkingen in de zin van 3:32 lid 2 BW.

1.1.2. Vader, moeder & kind(eren)

Omdat ouderschap een groot en breed onderwerp beknopt behandeld. Niet alles zal daarom aan bod komen in deze samenvatting. Enkele belangrijke en algemene bepalingen zullen aan bod komen. Vergeet dus niet om de overige bepalingen in de nabijheid van het onderwerp door te spitten voor bijvoorbeeld uitzonderlijke gevallen. Adoptie en minderjarigheid worden niet besproken in deze samenvatting, deze staan respectievelijk in titel 12 en 13 van BW1. Wat wel mogelijk van belang kan zijn bij adoptie is dat bij vestiging de ouders van het kind hun betrekkingen verliezen volgens 1:229 BW en gaan naar de adoptieouders. Daarom is 1:266 niet meer nodig.

1.1.2.1. Erkenning

In 1:203 BW staat hoe men kan erkennen. 1:204 BW geeft aan wanneer erkenning nietig is. Een erkenning kan vernietigd worden middels 1:205(a) BW. Ontkenning kan aangevraagd worden middels 1:200 en 1:202a BW. Erkenning kan ook aangevraagd worden middels gerechtelijk bevel zoals te lezen is in 1:207 BW.

1.1.2.2. Onderhoudsplicht

Bloed- of aanverwanten zijn in beginsel gehouden om elkaar in levensonderhoud te voorzien zoals is bepaald in 1:392 BW, indien er sprake is van behoeftigheid(!). In het geval van een alleenstaande moeder kan via 1:394 BW de verwekker worden aangesproken op een onderhoudsplicht voor het kind. Een stiefouder is slechts onderhoudsplichtig gedurende een huwelijk of geregistreerde partnerschap. Na meerderjarigheid zijn ouders op zijn minst onderhoudsplichtig voor de levensonderhoud en studie van het kind verantwoordelijk totdat deze 21 jaar is volgens 1:395(a) BW. Voor minderjarigen geldt 1:404 BW (error, bepaling not found J). Wanneer er niet in levensonderhoud voorzien kan worden volgens de eerder besproken 1:392 BW dan dient de persoon de ander in huis te nemen via 1:398 BW bij gerechtelijke uitspraak. 1:400 BW regelt de voorrang op levensonderhoud.

1.1.2.3. Gezag

Minderjarigen staan onder gezag volgens 1:245 BW. Dit zorgt er voor dat één of twee ouder(s) of voogden verantwoordelijk zijn. Een eis via 1:246 BW is dat deze personen niet onder curatele mogen staat of dat diens geestesvermogen niet dermate verstoord is. De rechten en plichten van gezag staan beschreven in 1:247. Tijdens huwelijk en geregistreerd partnerschap oefenen beide ouders automatisch gezag uit volgens 1:251 en 1:253aa BW. Wanneer dit niet het geval is ontvangt de moeder van rechtswege gezag via 1:253b. BW Wanneer één van beider ouders niet automatisch gezag heeft verkregen kan deze middels 1:253t BW dit verkrijgen. Voor de rest van de bepalingen dien je gewoon titel 14 (1:245 – 1:377 BW) te kijken. Kijk hierbij vooral naar de afdelingen en paragrafen aangezien deze de omstandigheden beschrijven van de gevallen wanneer je naar deze bepalingen dient te kijken.

1.1.2.4. Moeder

Eén beginsel waar familierecht op berust bij geboorte is op het feit dat in beginsel de natuurlijke moeder altijd zeker is en daarmee ook automatisch de juridische ouder. Ook wel mater semper certa genoemd. Dit staat vastgelegd in 1:198 lid 1 sub a BW.

Ook bij homoseksuele vrouwen kan de vrouw van de moeder automatisch erkend worden dankzij 1:198 lid 1 sub b BW. Een vereiste hierbij is dat beide vrouwen gehuwd zijn dan wel een geregistreerd partnerschap hebben en dat de donor onbekend is.

Andere mogelijkheden om moeder te worden staan vastgelegd in de overig sub bepalingen. Deze mogelijkheden zijn middels erkenning, gerechtelijk bevel of adoptie.

1.1.2.5. Vader

In tegenstelling tot de moeder kan de vader slechts op één wijze automatisch vader worden. Dit is wanneer de moeder en de man een huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap hebben. Dit staat in 1:199 sub a BW.

In sub c, d en e staan erkenning, gerechtelijk bevel en adoptie als mogelijkheden om vader te worden.

1.1.3. Huwelijk

In dit vak wordt er gekeken naar twee samenlevingsvormen. Namelijk gehuwd en ongehuwd. In het geval dat men ongehuwd zijn, is het relatief simpel. Er is namelijk dan niks geregeld. Dit is anders dan wanneer men gehuwd zou zijn. De wet erkend geen religieuze huwelijken zoals te lezen is in artikel 1:30 lid 2 BW. Sterker nog, artikel 1:68 BW zegt dat geen religieus huwelijk mag plaats vinden voordat een wettelijk huwelijk is voltrokken.

Om in het huwelijk te mogen treden moet men wel aan enkele vereisten voldoen. Men moet wel meerderjarig zijn of zestien jaar in gevallen van zwangerschap volgens 1:31 BW, in samenhang met de vereisten die gesteld worden in 1:35 BW. Verder dient het geestesvermogen in orde te zijn volgens 1:32 BW.

Tot slot mag men niet al een ander huwelijk hebben (polygamie verbod) volgens 1:33 en mag er geen sprake zijn van een nauw bloedverwantschap volgens 1:41 BW en er mag geen sprake zijn van een geregistreerd partnerschap volgens 1:42 BW.

Huwelijken kunnen nietig verklaard worden middels één der artikelen van afdeling 5 boek 1 (1:69 – 1:77 BW).

1.1.4. Vermogensrechtelijke gevolgen huwelijk

Indien men huwt zonder huwelijkse voorwaarden als bedoeld in artikel 1:114 jo 1:115 BW dan zullen de standaard wettelijke bepalingen gelden. En zelfs wanneer er sprake is van huwelijkse voorwaarden dan zullen de standaard bepalingen deze voorwaarden aanvullen zover de voorwaarden deze niet invult. Deze bepalingen zien toe op de rechten en plichten van het stel en de gemeenschap van goederen.

Na scheiding kan er sprake zijn van alimentatie. Alimentatie ziet toe op de levensonderhoud van de echtgenoot indien deze zich niet redelijkerwijs hier in kan voorzien, zoals bedoeld in 1:157 BW. Let hierbij goed op de uitzonderingen in lid 3 en 6. Ook tijdens huwelijk wanneer het stel van tafel en bed gescheiden kan er alimentatie worden geëist via 1:81 en 1:82 BW. Kinderen kunnen dit van hun ouders verlangen middels de eerder besproken levensonderhoud bepalingen van 1:404 en 1:406 BW. Partneralimentatie stopt indien de persoon die wordt voorzien een ander partner vindt in de zin van 1:160 BW. Wel kan er nog sprake zijn van pensioenaanspraken volgens 1:115 BW.

1.1.4.1. Huwelijkse voorwaarden

In dit vak komen drie soorten huwelijkse voorwaarden aan bod.

Bij koude uitsluiting vindt er geen gemeenschap van goederen plaats. Dan is het echt ieder voor zich. Wat van jou is, is van jou. Wat van mij is, is van mij.

Bij een beperkte gemeenschap van goederen is er in principe sprake van een gemeenschap van goederen behalve dan dat de schulden niet meegaan.

Bij het (Amsterdamse) periodieke verrekenbeding wordt er per periode de winsten (dus geen verliezen!) eerlijk(50/50) verdeeld over de echtgenoten, na aftrek van de huishoudelijke kosten. Vordering op deze winsten bestaan minimaal 3 jaar volgens 1:141 BW. Meer informatie hierover kan worden gevonden in titel 8 afdeling 2 van BW1. Bij een finaal verrekenbeding gebeurt dit aan het eind van het huwelijk.

Huwelijkse voorwaarden kunnen volgens 1:114 BW zowel voor als tijdens huwelijk opgesteld worden. Voor meer informatie of de voorwaarden zie titel 8 van BW1.

1.1.4.2. Rechten en plichten

Eén van de consequenties die een huwelijk met zich meedraagt is dat echtgenoten niet zomaar alle rechtshandelingen kan uitvoeren zonder toestemming van de ander volgens 1:88 BW. Men deelt ook de kosten en aansprakelijkheid van het huishouden volgens 1:84 en 1:85 BW. Volgens 1:87 BW deel je een investering. Als het stel 100 en 200 investeert en er komt uiteindelijk 600 uit, dan krijgt de één 200 en de ander 400. Verliezen net zo.

1.1.4.3. Gemeenschap van goederen

Via 1:94 jo. 1:93 BW kan er een gemeenschap van goederen tot stand komen. Dit betekent dat alle goederen van beide partijen samensmelten tot één, óók de schulden. Verknochte goederen worden echter in lid 3 uitgesloten. Ook kunnen goederen die bij erfenis zijn verkregen worden uitgesloten indien de erflater hier een uitsluitingsclausule voor had opgesteld. Bij scheiding worden alle goederen gelijk(50/50) verdeeld via 1:100 BW. Er is echter in het arrest Zweedse Schone bepaald dat hier in zeer uitzonderlijke gevallen van af mag worden geweken. Ook een belangrijk aspect bij gemeenschap van goederen is met hoe het zit in gevallen van schuld. Zie hiervoor de artikelen 1:96 en 1:102 BW.

1.2. Erfrecht

Het erfrecht wordt als eerst bepaald door een uiterste wil/testament. Mist deze of komt deze tekort, dan vult de wet de rest aan. Er zijn slechts een handvol bepalingen die boven het testament staan, zoals bijvoorbeeld het legitieme portie. Besef je ook goed dat wanneer er sprake is van een huwelijk met gemeenschap van goederen, dat eerst de goederen verdeeld worden van het huwelijk en dat dan pas de erfenis gaat spelen.

1.2.1. Uiterste wil / testament

Het maken van een uiterste wil(hierna: testament) is een eenzijdige rechtshandeling volgens 4:42 lid 1 BW. Een erflater kan deze in beginsel altijd herroepen(wijzigen) volgens 4:42 lid 2 jo. 4:111 BW. Enkel de erflater kan een testamentopstellen volgens 4:42 lid 3 BW. Een zeer zeldzame uitzondering welke met ernstig grote terughoudendheid kan worden toegepast is een beroep doen 8 EVRM, zodat bijvoorbeeld een curator dit kan wijzigen indien de omstandigheden daar naar vragen.

Er zijn twee soorten testamenten. De meest gebruikte is een notarieel testament via 4:188 BW. Een codicil testament is ook mogelijk via 4:97. Let hierbij goed op aangezien deze aan strenge eisen staan verworpen!

Middels een testament kan er ook worden nagelaten aan derden, (rechts)personen die geen familierechtelijke betrekkingen hebben tot de erflater. Dit gaat middels een legaat zoals beschreven in 4:117 BW. Een belangrijk aspect hierbij is dat men moet beseffen dat deze rechthebbende slechts een vordering verkrijgt, deze verkrijgt niet automatisch het eigendom. Verkrijging gebeurt dan ook onder een bijzondere titel.

Via 4:130 jo. 4:142 BW is te lezen dat de last van verdeling van de erfenis ook per testament kan worden opgelegd aan een door de erflater of kantonrechter benoemde executeur. Het arrest van executeur en effecten speelt hierbij een rol. In dit arrest was door het niet gebruiken van de bevoegdheden van de executeur de waarde van de erfenis drastisch gedaald. De HR oordeelde hierbij dat voor aansprakelijkheid een tekortkoming in de zorg van een goed executeur nodig is. De rechthebbende moeten aantonen dat hier sprake van is. In de kwestie speelde een belangrijke rol dat effecten onvoorspelbaar zijn en ook hadden kunnen stijgen.

Bij uitlegging van het testament dient er te worden gekeken naar de verhoudingen van de wil, de omstandigheden op het moment van vastlegging van het testament en de huidige omstandigheden. Zie ook artikel 4:46 BW.

Bij het maken van een testament krijgt de erflater veel vrijheid. Er zijn echter wel beperkingen. Zo mag de inhoud of de strekking niet in strijd zijn et de goede zede of openbare orde volgens 4:44 BW. Ook bepaalde (rechts)personen zijn uitgezonderd voor een legaat zoals in 4:57 – 4:61 BW en 3:43 W.

Wanneer een erflater iemand onterft belet de persoon niet om een deel van de erfenis, zijn legitieme portie, te vorderen volgens 4:63 BW. De legitimaris heeft recht op de helft van wat deze normaal zou ontvangen, in een geldsom. Men verliest het recht op een legitieme portie in gevallen van onwaardigheid in de zin van 4:3 en 4:4 BW.

1.2.2. Wettelijke bepalingen

Wanneer een erflater geen testament heeft of bepaalde informatie mist, dan wordt er gekeken naar de wettelijke bepalingen.

Het verdelen van de nalatenschap gebeurd gestructureerd. In 4:10 BW staat in lid 1 een lijst met personen die recht zouden kunnen hebben op een erfenis. Dit gebeurt op volgorde. Indien er geen sprake is van geval (parenteel) 1 (sub a), dan gaat men naar geval 2 (sub b). Dit gebeurt totdat er één of meerdere personen aanspraak kunnen doen in de op dat moment bepaalde geval. Deze personen erven uit “eigen hoofde”, er is geen (dood) tussenpersoon. Al deze personen erven een gelijk deel volgens 4:11 BW. Een uitzondering hier op is wanneer een ouder minder dan een kwart erft, deze wordt verhoogd tot een kwart volgens 4:11 lid 2.

Wanneer een erfgenaam (helaas L) dood is op het moment van de dood van de erflater, dan krijgen de afstammelingen van deze erfgenaam zijn of haar deel in de beschreven gevallen van 4:10 lid 2. Let hier goed op, de afstammelingen dienen het deel dat de erfgenaam toekomt nogmaals onder elkaar te verdelen. Dit heet erven onder plaatsvervulling.

Een afwijking kan plaats vinden in de grootte van de erfenis voor halfbrusjes ( half- broer/zus J in referentie naar Prof. Mr. Kolkman). Deze verkrijgen de helft van wat een vol brusje zou ontvangen.

Iemand die onwaardig is in de

zin van 4:3 en 4:4 BW ontvangt niks.

Om de langst levende echtgenoot te beschermen gaat de erfenis die de kinderen toebehoren naar de echtgenoot in samenhang met artikel 4:13 BW.

Verdere bepalingen die de langst levende echtgenoot en de kinderen beschermen staan in 4:28-4:30 BW en 4:35-4:36 BW.

De afwikkeling van een erfenis geschiedt via drie manieren volgens 4:190:

  • Zuiver aanvaarden, dan krijg je alles incl. de schulden.
  • Verwerpen, dan gaat deze naar een ander.
  • Beneficiair aanvaarden, hierbij erf je enkel het profijt indien hier sprake van is na verrekening.

Zoals men later zal zien geschiedt een erfenis onder algemene titel.

2. Algemeen goederenrecht

In deze week worden algemene begrippen besproken en bezit en houderschap van een goed. Wegens overzichtelijkheid is een deel van overdracht verplaatst naar volgende week aangezien deze dan in een heel hoofdstuk behandeld kan worden. In de plaats daarvan komt verjaring aangezien deze niet specifiek in een week is behandeld.

2.1. Algemene begrippen

Het belangrijkste artikel van goederenrecht is 3:1 BW. Hier staat dat goederen alle zaken en vermogensrechten zijn. In 3:2 BW staat dat zaken voor menselijk vatbare stoffelijke objecten zijn. In 3:6 BW staat een vermogensrecht in het kort beschreven als vorderingen en andere rechten die een strekking hebben tot stoffelijk voordeel zoals het auteursrecht.

Eigendom is volgens 5:1 het meest omvattende recht die een persoon op een zaak kan hebben. Een beperkt recht is een recht, volgens 3:8 BW, dat een meer omvattend recht, zoals eigendom, bezwaard. Wanneer hier sprake van is kan men wel eigendom hebben, maar hier kleeft dan dus een bezwaard recht aan die niet zomaar teniet gaat. Dat eigendom zo omvattend is valt te zien aan het recht op revindicatie in 5:2 BW. Een eigenaar kan dit recht in principe altijd uitoefenen, tenzij een ander recht dit tegenspreekt.

Zaken kunnen onderscheiden worden in twee verschillende soorten:

  • Onroerende zaken, 3:3 lid 1 BW
    Dit zijn zaken die duurzaam met de grond verenigd zijn en de grond zelf.
  • Roerende zaken, 3:3 lid 2 BW
    Dit zijn alle zaken die niet onroerend zijn. Dit is bijna alles.

Een belangrijk leerstuk binnen goederenrecht is de absolute en relatieve werking van rechten.

  • Absolute werking
    Dit zijn rechten die zich verhoudt tussen personen en goederen. Dit zijn rechten die aan een goed vast zitten. Dit recht behoort dan aan één persoon toe die dit recht tegen eenieder kan uitoefenen, in beginsel. Want een uitzondering staat in 3:13 BW en tevens in het arrest Grensoverschrijdende garage. Deze uitzondering houdt in dat er geen misbruik gemaakt mag worden van bevoegdheden die iemand toekomt. Gebruik mag niet onevenredig nadelig zijn voor een ander. Bij overdracht blijven absolute rechten nog steeds werking hebben op het goed, gezien de relatie tussen goed en persoon is en niet tussen persoon en persoon, ook wel zaaksgevolg.
  • Relatieve werking
    Bij relatieve werking is er sprake van een verhouding tussen twee personen. Dit recht geldt in beginsel enkel tussen hen twee. Dit is goed af te leiden uit het arrest Blaauboer/Berlips. Hier werd bepaald dat slechts vorderingsrechtelijke verbintenissen, dus geen schulden, mee overgaan bij overdracht van een goed onder bijzondere Dit staat ook wel in 6:251 BW.

2.2. Bezit & houderschap: overdracht

Overdracht in zijn algemeen, dus exclusief bezitsoverdracht, is wegens overzichtelijkheid verschoven naar het volgende hoofdstuk.

Twee kernbegrippen binnen het goederenrecht zijn bezitter en houder/detentor(hierna: houder).

  • Bezitter
    Volgens 3:107 lid 1 BW is er sprake van bezit wanneer je een goed voor jezelf
  • Houder
    In het kort zegt 3:110 BW dat men houder is wanneer je voor een ander een goed houdt. Je hebt het goed dan wel in je macht, maar dus niet in bezit in juridische Dit artikel zegt ook hoe je houder wordt, namelijk per rechtshandeling met de bezitter.

Voor elk van de begrippen zijn er twee soorten. Namelijk middellijk en onmiddellijk houder/bezitter. Bij onmiddellijk is er sprake van dat deze persoon het goed in zijn macht heeft. Bij onmiddellijk ben je dus wel bezitter/houder, maar heeft een ander het goed in zijn macht.

Onder macht wordt feitelijke macht verstaan. Je kan direct controle uitoefenen op het goed. Bij procederen is macht belangrijk voor de bewijslast. Een houder wordt volgens 3:109 BW geacht bezitter te zijn. Diegene die het dus niet in zijn macht heeft moet dus bewijzen.

2.2.1. Bezitsverkrijging

Belangrijk om te beseffen dat je als houder niet het bezit kan toe-eigenen. Dit staat beschreven in 3:111 BW. Let hierbij wel op dat er twee uitzonderingen zijn:

  • Met medewerking van de bezitter.
    Als de bezitter instemt met dat jij bezitter wordt (overdracht).
  • Tegenspraak van recht
    Er moet sprake zijn van bijvoorbeeld rechtshandelingen die slechts een bezitter zou doen.

Bij tegenspraak van recht kan je stellen dat gekeken dient te worden naar de beoordelingsgronden die staan beschreven in 3:108 BW. Namelijk op grond van: uiterlijke feiten, verkeersopvatting en wettelijke voorschriften.

Artikel 3:112 BW geeft drie manieren om bezit te verkrijgen:

  • Inbezitneming
    Dit staat beschreven in 3:113 BW. Let goed op de vereiste in lid 2 in het geval er sprake is van een andere bezitter. Vergeet tevens niet de eerder besproken regeling van artikel 3:111 BW in gevallen van houderschap.
  • Overdracht
    Zal apart worden besproken.
  • Algemene titel
    Zal later worden besproken

2.2.1.1. Bezitsoverdracht

Overdracht van bezit kan plaats vinden middels verschillende manieren, beschreven in de artikelen 3:114 en 3:115 BW:

  • Feitelijk de macht verkrijgen middels een handeling (corporeel)
  • Constitutum possessorium (3:115 sub a BW)
    Hierbij wordt overdracht tweezijdig verklaard, maar behoudt de vervreemder het goed nog (tijdelijk) in zijn macht. De vervreemder wordt hierdoor houder. In tegenstelling tot de andere methoden is bezit vereist. In geval van houderschap zal deze levering dan ook nietig zijn en dus nooit geacht hebben horen te bestaan.
  • Traditio brevi manu (levering met de korte hand, 3:115 sub b BW)
    Ook hier is er sprake van een tweezijdige verklaring. In dit geval is de verkrijgende partij al houder van het goed, welke hierdoor bezitter wordt.
  • Traditio longa manu (levering met de lange hand, 3:115 sub c BW)
    In dit geval hebben noch de vervreemder noch de verkrijger de feitelijke macht over het goed. Deze ligt bij een derde. Naast de tweezijdige verklaring is ook of erkenning van of een mededeling naar deze derde vereist.

Meer eisen voor een geldige overdracht in zijn algeheel worden besproken in een andere week.

2.2.2. Bezitsverlies

Volgens 3:117 BW zijn er drie manieren om je bezit te verliezen:

  • De eerder genoemde overdracht, onder de noemer kennelijk prijsgeven.
  • Kennelijk prijsgeven, maar dan in de zin van je het bezit niet meer wenst, soort van “weggooien”.
  • Wanneer een ander het bezit verkrijgt.

2.2.3. Bezit te goeder/kwader trouw

In bepaalde gevallen is het van belang om te weten of iemand bezitter te kwader of goeder trouw is. Wanneer sprake van goede trouw is staat uitgelegd in 3:118 jo. 3:11 BW. Voldoe je niet aan de vereisten, dan ben je dus kwader trouw. Maar lid 3 van 3:118 BW jo. 3:119 lid 1 jo. 3:109 BW legt echter de bewijslast bij een ander dan de bezitter. In het arrest Gielkens/Gielkens is echter een uitzondering gemaakt, de rechter staat vrij om in bepaalde omstandigheden, gelet op de verklaringen van de partijen, de vermoedens van 3:109 en 3:119 BW als weerlegd te beschouwen en daarmee de bewijslast aan de bezitter over te dragen.

In 3:11 BW staat beschreven wat goeder trouw eigenlijk inhoudt. Hier staat niet alleen dat iemand op basis van bewustheid kwader trouw sprake kan zijn, ook in onbewuste gevallen indien iemand het behoorde te kennen. Onderzoek bij twijfel is verplicht. En wanneer onderzoek onmogelijk is maar twijfel bestaat, dan ben je ook te kwader trouw.

Wanneer men kon weten op basis van dat het in een openbaar register stond, dan is men ook te kwader trouw volgens 3:23 BW. Andersom, wanneer het in het register behoorde te staan maar niet staat of wanneer het register foutief is, dan kan dit niet worden tegengeworpen als een argument voor te kwader trouw volgens 3:24 BW. Een uitzondering op deze registerregel wordt gemaakt in het arrest Coppes/van de Kolk, daar besliste de HR dat men ook te kwader trouw is wanneer deze niet de autopapieren onderzoekt.

In lid 3 van 3:118 BW staat dat wanneer je te goeder trouw was op het moment van verkrijging, maar daarna hebt vernomen dat dit eigenlijk ter kwader trouw behoorde te zijn, dan blijf je te goeder trouw.

Indien een bezitter te goeder trouw was kan deze bij revindicatie á 5:2 BW vergoeding eisen voor gemaakte kosten middels 3:120 BW. De gevolgen bij revindicatie in gevallen van kwader trouw zijn te vinden in 3:121 BW.

Artikelen 3:122, 3:123 en 3:124(voor de houder) BW gelden voor zowel te kwader, als te goeder trouw bij revindicatie.

2.2.4. Verkrijging onder titel

Het wetboek maakt verschil tussen twee soorten titels waaronder je een goed kan verkrijgen. Dit zijn namelijk de bijzondere en algemene titel. Beide staan beschreven in 3:80 BW. Alle vormen van verkrijging onder de twee titels zijn derivatief doordat er sprake is van een rechtsvoorganger.

  • Algemene titel
    De gevallen van wanneer er sprake kan zijn van algemene titel staat beschreven in lid 2. Enkele belangrijke kenmerken zijn dat je hierbij als ware in de voetsporen van de vorige persoon treedt. Zo zal de verkrijger alle eigenschappen in exact dezelfde staat verkrijgen als de vorige. Dus ook de ter kwader trouw, zelfs wanneer de nieuwe verkrijger te goeder trouw is. Ook het feit of je bezit of houder bent gaat mee. Dit staat beschreven in 3:116 BW. Dit geldt niet enkel voor goederen, maar ook bij overeenkomsten volgens 6:249, hierbij gelden de rechtsgevolgen van de overeenkomst ook voor de verkrijger, tenzij anders bepaald. Indien er verkregen is onder algemene titel hoeft er niks te gebeuren, alles gaat automatisch. Levering is daarom bijvoorbeeld ook niet nodig.
  • Bijzondere titel
    Voor verkrijging onder bijzondere titel (lid 3) zijn meer eisen aan verbonden voordat deze succesvol hebben plaatsgevonden dan bij algemene titel. De belangrijkste manieren voor verkrijging zijn overdracht (zie volgende week) en verjaring (volgend hoofdstuk). Bij algemene titel gingen alle hoedanigheden van de vervreemder mee naar de verkrijger, bij bijzondere titel is dit in principe niet volledig het geval. Maar er zijn uitzonderingen mogelijk in bepaalde gevallen die wettelijk bepaald zijn. Daarvoor dient men naar de bepalingen te kijken die gelden voor die situatie.

2.2.5. Verkrijging onder verjaring

Bij verjaring speelt te goeder trouw een grote rol.

In gevallen dat men te goeder trouw is en er sprake is van roerende niet registergoederen of rechten aan toonder of order, dan krijgt men na drie onafgebroken bezit het eigendom. Bij andere goederen is dit tien jaar. Dit staat beschreven in 3:99 BW. Men moet dit niet verwarren met vinderschap welke in het volgend hoofdstuk wordt behandeld. Hier speelt geen verjaring, maar er zijn dan wel additionele handelingen vereist.

In alle gevallen van kwader trouw geldt een termijn van 20 jaar volgens 3:306 BW.

2.2.6. Originaire verkrijging

Er kan sprake zijn van een originaire verkrijging wanneer een bezitter dan wel eigenaar onbekend is of wanneer er iets speciaals met een zaak gebeurd. Hiervoor zijn meerdere manieren mogelijk.

  • Inbezitneming in gevallen van een res nullius (5:4 BW);
  • Vinderschap volgens 5:6 BW. De verkrijger dient aangifte te doen en wordt houder voor één jaar. Indien de eigenaar niet heeft gerevindiceerd verkrijgt men het goed.
  • Schatvinding (5:13 BW), lees hierbij wel de gevolgen goed.
  • Natrekking (5:14 BW), dit is in gevallen van een roerende zaak bestandsdeel (onderdeel) wordt van een andere zaak die als hoofdzaak (dus geen bestandsdeel is) te kenmerken is. Een hoofdzaak wordt gekenmerkt aan de hand van verkeersopvattingen of wanneer deze zaak aanmerkelijk meer waard Wanneer er geen hoofdzaak bekend is wordt het eigendom gedeeld aan de hand van de waarde van elke zaak. In 3:4 BW staat uitgelegd een zaak bestandsdeel wordt aan de hand van verkeersopvattingen of wanneer de zaken niet zonder schade van elkaar zijn te scheiden.
  • Bij vermenging (5:15 BW) is er sprake dat roerende zaken verenigd worden tot één De bepalingen van natrekking wordt dan toegepast.
  • In gevallen van zaakvorming (5:16 BW) is er sprake dat middels één of meerdere zaken één nieuwe zaak wordt gevormd(vakkundig gecreëerd). Wanneer de gebruikte zaken tot één eigenaar behoorde, wordt deze de eigenaar van de nieuwe zaak. In gevallen van meerdere eigenaren zijn vermenging en natrekking van toepassing. Wanneer iemand voor zichzelf een zaak vormt of laat vormen uit één of meerdere zaken die niet van hem zijn, dan wordt hij de eigenaar, tenzij geringe kosten tot vorming het niet rechtvaardigen.
  • Vruchttrekking (5:17 BW), in gevallen dat een persoon recht heeft, middels een overeenkomst dan wel vruchtgebruik of via wettelijke bepalingen, wordt eigenaar van deze vruchten. Een vrucht is gedefinieerd in 5:9 BW.
  • Middels natrekking bij onroerende zaken via 5:20 BW. Wanneer een zaak onderdeel uit maakt van de grond dan wordt de eigenaar van de grond eigenaar van deze zaak. Een belangrijk arrest hierbij is de grensoverschrijdende treurwilg. Hier werden eigenaren van twee percelen eigenaar van een boom waarvan de stam op beide bevond. Op de één meer dan de ander, maar dat maakte volgens de HR niet uit.

3. Overdracht onder bijzondere titel

3.1. Algemeen

Volgens 3:83 BW zijn eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten overdraagbaar. Uitzonderingen hier op zijn wettelijke bepalingen of de aard van het recht of door een beding in een overeenkomst. Andere rechten zijn slechts overdraagbaar wanneer de wet anders bepaald.

Volgens 3:84 BW zijn er drie vereisten voor een overdracht:

  • Geldige titel
  • Beschikkingsbevoegdheid
  • Levering

3.2. Titel

Onder titel kan je verstaan: een juridische grond of rechtsverhouding voor overdracht. Meestal zit dit een overeenkomst betreffen zoals een koopovereenkomst of een huurovereenkomst. Maar ook ongedaanmakingsverbintenissen of verbintenissen uit een onrechtmatige daad kunnen een titel zijn voor overdracht.

Een titel dient specifiek genoeg te zijn volgens 3:84 lid 2 jo. 6:227 BW. “Een” fiets is niet specifiek genoeg.

Titels in strijdt met de openbare zede of openbare orde zijn uiteraard nietig en dus niet rechtsgeldig volgens 3:40 BW.

Wanneer een overdracht wordt vernietigd gaat de titel verloren. Vernietiging werkt met terugwerkende kracht volgens 3:53 BW. Bij ontbinding blijft de titel gewoon bestaan.

3.3. Levering

Levering in de zin van 3:84 BW gebeurt in samenhang met wetsartikelen afhankelijk van de aard van het goed. Let op bij vorderingen dat ze per beding uitgesloten kunnen worden voor overdraagbaarheid volgens 3:83 lid 2. Zo ook bepaald in het arrest Oryx/Van Eesteren waarbij Oryx een vordering probeerde te verpanden wat was uitgesloten in de overeenkomst.

3.3.1. Onroerende zaken & registergoederen

Levering van onroerende zaken staat beschreven in 3:90 BW. Dit geschiedt per notariële akte gevolgd door een inschrijving in het openbaar register. Dit geldt mede voor registergoederen volgens lid 4.

3.3.2. Roerende zaken

Levering van roerende zaken staat beschreven in 3:91 BW. Dit geschiedt middels de eerder besproken bezitsverschaffing van 3:112 of 3:115 BW.

3.3.3. Rechten aan toonder of order

Voor levering dient het toonderpapier geleverd te worden overeenkomstig met de bepalingen van een roerend goed in de zin van 3:91BW volgens 3:93 BW. Voor levering van een orderpapier is tevens een endossement vereist.

3.3.4. Rechten op naam

Levering van rechten op naam kan volgens 3:94 BW op drie manieren plaats vinden. Rechten op naam zijn eigenlijk vorderingen die iemand heeft jegens een ander. De vervreemder wordt aangeduid als cedent, de verkrijger als cessionaris en de schuldenaar debitor cessus of kortweg cessus.

  • (openbaar) Akte van cessie
    Hierbij wordt een “gewoneakte opgesteld waarbij de vervreemder dan wel de verkrijger direct een mededing doet aan de cessus. Dit staat beschreven in lid 1.
  • (stille) Authentieke akte
    Dit is een notariële akte. Hierbij wordt er geen mededeling gedaan aan de cessus.
  • (stille) Geregistreerde akte
    Dit is een geregistreerde akte die normaal wordt geregistreerd bij een register van de belastingdienst. Ook hier vind geen mededeling

Beide stille cessies staan beschreven in lid 3. De levering vind plaats zonder mededeling. Maar de cessus is pas gehouden zijn schuld te voldoen aan de cessionaris na mededeling en niet eerder.

3.3.5. Beperkte rechten

3:83 lid 1, mits geen afhankelijk 3:82 jo 3:7 (hypo, erf, onzelfs opstal dus niet vanwege 3:8) dus wel erf en vrucht.

In artikel 3:98 staat dat een beperkt recht overeenkomstig wordt gevestigd als de levering die voor het goed geldt, tenzij anders bepaald. Noem daarom dan ook altijd beide bepalingen voor beperkte rechten. Zo zal 3:98 jo. 3:90 BW gelden voor het vestigen van een beperkt recht op een onroerend goed.

Beperkte rechten zijn in beginsel overdraagbaar volgens 8:83 BW en 3:98 BW. Mits dit beperkt recht geen afhankelijk recht is in de zin van 3:82 jo. 3:7 BW. Wanneer iets afhankelijk wordt in een ander hoofdstuk uitgelegd.

3.3.6. Overige gevallen

Wanneer de wet voor het goed niks heeft bepaald geschiedt levering middels een akte volgens 3:95 BW.

3.4. beschikkingsbevoegdheid & Derde bescherming

Voor overdracht dien je beschikkingsbevoegd te zijn. Je dient dus eigenaar dan wel gemachtigd te zijn om het goed over te dragen. Uitzonderingen hier op zijn wanneer er sprake is van bewind, beslag of faillissement.

Let goed op dat handelingsonbekwaam niet gelijk staat aan beschikkingsonbevoegd! Bij handelingsonbekwaamheid volgens 3:32 BW zijn rechtshandelingen rechtsgeldig en dus beschikkingsbevoegd, maar vernietigbaar.

Er zijn twee manieren om derde te beschermen tegen beschikkingsonbevoegdheid.

  • Registergoederen en rechten op naam:
    Wanneer de vervreemder niet bevoegd was kan een derde toch eigenaar blijven indien dankzij het ontbreken van een titel of levering (dus niet wegens onbevoegdheid!) de vervreemder onbevoegd was tot overdracht bij de overdracht daarvoor. Goeder trouw van de derde is vereist. Zie 3:88 BW.
  • Overige goederen:
    Wanneer een vervreemder niet bevoegd was kan de derde toch eigenaar worden indien deze te goeder trouw was en de overdracht anders dan om niet (niet gratis of onevenredig laag bedrag) was. Indien op het goed een beperkt rechte rustte en de verkrijger deze niet behoorde te kennen, dan vervalt het beperkte recht. Een uitzondering is wanneer er sprake is van diefstal. Dan kan de eigenaar binnen drie jaar zijn eigendom opeisen mits de zaak niet verkregen is in uitoefening van of door een bedrijf in een winkel of wanneer het niet geld of een toonder– of orderpapier Zie ook 3:86 BW. Er is tevens nog een uitzondering mogelijk, namelijk wanneer er geleverd is middels constitutum possessorium. In 3:90 lid 2 BW staat dat wanneer de zaak in handen blijft van de vervreemder dat dan een ouder gerechtigde dit alsnog kan opeisen. Hier is alleen sprake van wanneer de vervreemder bezitter is want een houder kan niet leveren, zoals eerder is vastgesteld.

Een groot uitzondering op derden bescherming is wanneer de verkrijger niet voldoet aan de wegwijsplicht als bedoeld in 3:87 BW, wat niet geldt in gevallen van geld. De verkrijger dient namelijk, wanneer dit binnen 3 jaar na overdracht gebeurt, voldoende gegevens te verschaffen over de vervreemder indien daar naar gevraagd wordt, indien de verkrijger de informatie ook ten tijde van de overdracht voldoende mocht achten.

Tevens kan men zich niet op derde bescherming beroepen wanneer de eerder besproken verjaring heeft opgetreden.

4. Eigendom & beperkte rechten

4.1. Eigendom

Eigendom is het meest omvattende rechter dat er is volgens 5:1 BW. Meer rechten kan je niet hebben op een goed. Je mag er dan ook alles mee doen met wat je wilt, behoudens dat dit niet in strijd is met de rechten van anderen en enkele wettelijke voorschriften en het ongeschreven recht.

Enkele voorbeelden zijn misbruik van recht (3:13 BW) en hinder (5:37 jo. 6:162 BW).

4.2. Burenrecht

Burenrecht is niet uitvoerig behandeld dus dit zal hier ook zeer beknopt beschreven worden.

Grensbepaling kan plaats vinden middels 5:47 BW. Zoals we net lazen mag je alles met je eigendom behoudens bepaalde omstandigheden. Zo gelden er regels voor bijvoorbeeld de beplantingen van je grond, vastgelegd in 5:42 BW en 5:44 BW. Een uitzondering kan gemaakt worden met toestemming van de buur, welke wel ingeschreven dient te worden volgens 3:17 sub a jo. 3:24 BW.

In gevallen van overbouw kan artikel 5:54 BW toegepast worden. Dit is bijvoorbeeld van belang in gevallen zoals bij het eerder besproken arrest grensoverschrijdende garage. Ook het arrest Nelemans/Scheepswerf speelt hier een belangrijke rol. Want men kan zich niet op 5:54 BW beroepen in het geval van de uitzondering beschreven in lid 3, wanneer er sprake is van kwader trouw of verwijtbare grove schuld. Schuld door een derde is niet genoeg als men niet deze schuld had kunnen weten.

Het artikel die een noodweg beschrijft staat in 5:57 BW. Dit in tegenstelling tot erfdienstbaarheid is geen beperkt recht.

4.3. Beperkt recht

Zoals we eerder hebben gezien is een eigendom het meest omvattende recht dat er is. Een beperkt recht is afgeleid uit een meer omvattend (eigendom) recht, welke dan bezwaard is met een beperkt recht volgens 3:8 BW.

Het systeem van beperkte rechten is een gesloten systeem. Men kan enkel de beperkte rechten die in de wet genoemd staan vestigen.

In bepaalde gevallen zijn beperkte rechten onoverdraagbaar (3:83 BW). Een voorbeeld hier van is bij hoogstpersoonlijke rechten zoals in 3:226 BW staat beschreven. Ook afhankelijke rechten in de zin van 3:7 jo. 3:82 BW zijn niet overdraagbaar. Daarbij is het beperkte recht zo verknocht aan het goed, dat deze niet los over te dragen is. Denk hierbij aan pand/hypotheek, erfdienstbaarheid en onzelfstandige opstal.

Beperkte rechten kunnen ook teniet gaan middels de in 3:81 lid 2 BW beschreven manieren en in gevallen van de eerder besproken derde bescherming van 3:86 lid 2 BW.

Beperkte rechten worden vaak opgedeeld in genotsrechten en zekerheidsrechten. Bij zekerheidsrechten heeft de rechthebbende een sterkere positie in gevallen van faillissement.

4.3.1. Genotsrechten

Bij genotsrechten krijgt iemand het recht om van het goed van een ander in beperkte en voorgeschreven mate gebruik te maken. Je mag genieten van het goed van een ander.

4.3.1.1. Vruchtgebruik

Volgens 3:201 BW heeft de gerechtigde recht op gebruik en de vruchten toe te eigenen. Volgens 3:212 BW mag een vruchtgebruiker bijvoorbeeld ook beschikken over de zaak of zelfs vervreemden. Ook is recht van gebruik en woning mogelijk met vruchtgebruik volgens 3:226 BW.

4.3.1.2. Erfpacht

Volgens 5:85 BW kan een gerechtigde gebruik maken van de onroerende zaak. Tevens wordt de gerechtigde houder. Gelet op lid 2 kan erfpacht ook een soort van huur zijn. Een groot verschil tussen een huurovereenkomst en erfpacht is, naast dat het een beperkt en absoluut recht is, dat de gerechtigde zich als een soort eigenaar mag gedragen waar het bij huur niet mag. Ook de vruchten behoren de erfpachter toe volgens 5:90.

4.3.1.3. Appartementsrecht

Appartementsrechten zijn in dit vak niet uitvoerig behandeld. De bepalingen van appartementsrechten staan in 5:106 BW e.v.

Wat je goed moet beseffen is dat meerdere personen het “eigendomdelen van het appartement, zie ook 5:108 BW. Het eigendom van de eigenaar van de grond, erfpachter of opstaller heeft namelijk het gebouw opgesplitst in kleine stukjes appartementsrechten.

4.3.1.4. Opstal

Bij opstal wordt volgens 5:101 BW de rechthebbende eigenaar van de gebouwen, werken of beplantingen van boven, in of op de onroerende zaak van de eigenaar. Oftewel, de oorspronkelijke eigenaar blijft eigenaar van de grond, maar alles wat daar duurzaam mee verenigd is of wordt is in eigendom van de nieuwe rechthebbende. 5:20 sub e en f BW zijn eigenlijk van toepassingen op de eigenaar van het beperkte recht.

4.3.2. Zekerheidsrechten

Zekerheidsrechten zijn belangrijk om te kennen. In geval een schuldenaar meerdere schulden heeft maar niet alles kan betalen, dan krijgt volgens 3:277 BW iedere schuldeiser een gelijk recht. Een uitzondering wordt gemaakt op diegene die voorrang krijgen, zekerheidsrechten zorgen voor zulke voorrang. Pand en hypotheek zijn dit volgens 3:278 BW. Een extra uitzondering wordt gemaakt op het recht van voorrecht. Deze staat volgens 3:279 BW weer onder de zojuist genoemde zekerheidsrechten maar volgens 3:280 BW weer boven andere rechten.

Het hebben van een zekerheidsrecht levert een separatistenpositie op bij faillissement zoals te lezen in artikel 57 faillissementswet (hierna: FW). Bij zo’n executie mag de rechthebbende volgens 3:235 niet het eigendom toeeigenen. Verder mag de rechthebbende het goed per parate executie verkopen indien er sprake is van verzuim tenzij anders wettelijk bepaald. Bij parate executie wordt het goed openbaar verkocht.

Een zekerheidsrecht gaat ook mee met de vordering in gevallen van cessie volgens 6:142 BW. De zekerheidsrecht zelf is niet los over te dragen doordat deze zo verknocht is aan de vordering dat deze afhankelijk is. Als men een zekerheidsrecht wilt overdragen zal deze de vordering moeten overdragen.

Wat ook bijzonder is aan deze rechten is dat ze naast elkaar gevestigd kunnen worden. Er kan meerdere keren een pandrecht worden gevestigd, mits deze tezamen in beginsel niet de waarde van het goed overtreffen.

Een ouder recht gaat voor die van een nieuwer. Er zijn uitzonderingen mogelijk.

4.3.2.1. Pandrecht

Naast stil pandrecht heb je ook vuistpandrecht. Vuistpand is de standaard pandrecht die staat beschreven in 3:236. Hierbij wordt het goed in macht van de pandhouder gebracht, in overeenkomstige wijze als hoe dit goed normaal wordt overgedragen volgens 3:84 jo. 3:98 BW. Er kan ook een stil pandrecht worden vastgelegd volgens 3:237, hierbij wordt er een authentieke of geregistreerde akte opgesteld en blijft het goed in de macht van de pandgever. illuminate

Wanneer een pandgever onbevoegd was, dan kan de pandhouder bij wie het in vuistpand is toch het goed houden volgens de voorwaarden van 3:238 BW. Ook als er een ouder (stil) pandrecht op rust.

Voor rechten op naam gelden iets andere eisen volgens 3:239 BW.

Wanneer de pandgever niet nakomt dient er gekeken te worden naar de artikelen 3:246 en 3:248 e.v.

4.3.2.2. Hypotheek

Naast het verschil dat er “vuist”hypotheek niet bestaat is het grote verschil tussen pandrecht en hypotheek dat deze wordt gevestigd op een registergoed. Zie artikel 3:260 e.v.

Een hypotheek wordt altijd geregistreerd in een register, men kan dus nooit te goeder trouw niet hebben geweten dat er hypotheek op de zaak rustte.

5. Totstandkoming overeenkomsten

Belangrijk voor dit hoofdstuk is om het verschil te weten tussen wilsontbreken en wilsgebreken. Bij wilsontbreken wordt geacht de wil nooit te hebben bestaan. Bij wilsgebreken is deze gebrekkig gevormd, deze is door externe factoren beïnvloed.

5.1. Overeenkomsten

Je hebt het vast al 1000x gehoord, maar volgens 6:217 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod en aanvaarding. Een belangrijk arrest hierbij is Hofland/Hennis. Hier werd besloten dat een advertentie niet als aanbod gezien diende te worden, maar als uitnodiging tot het doen van een aanbod. Bij aanvaarding van de advertentie komt er dus geen overeenkomst tot stand.

Let ook op, dit artikel stelt geen vormvereisten voor overeenkomsten. Dit kan dus schriftelijk, verbaal of non-verbaal. Dit komt doordat 6:217 BW in samenhang is met 3:33 BW. 3:33 BW ziet namelijk ook toe op de gevolgen van de in 6:217 verklaringen. Hierdoor moet er gekeken worden naar meerdere artikelen bij het aangaan van een overeenkomst.

5.1.1. Vertrouwensleer

Zo geeft 3:35 jo. 3:11 BW de vertrouwensleer. Men moet op een verklaring kunnen vertrouwen indien dit redelijkerwijs ook vertrouwd mocht worden. Dit geldt slechts bij wilsontbreken. Ook wordt er een uitzondering gemaakt in 3:34 BW voor mensen met een tijdelijk of blijvend gestoord geestesvermogen. Daar wordt geacht, tegendeel kan bewezen worden, dat de wil ontbrak indien de rechtshandeling op dat moment nadelig was voor deze persoon. Een arrest die hierbij een rol speelt is Ontslagname. Hierbij oordeelde dat het niet ging om gerechtvaardigd vertrouwen maar om het naar objectieve maatstaven redelijkerwijze niet voorzienbare nadeel. De werkgever mocht op ontslag vertrouwen in dat geval doordat de werknemer paar dagen niet kwam opdagen, maar het is onredelijk dat de werkgever zich aan die verklaring hield gezien de omstandigheden en het feit dat hij geen nadeel zou hebben als hij dit wel had vertrouwd.

5.1.2. Overdracht van den verklaring

3:37 BW is ook van groot belang, deze gaat namelijk over de overdracht van de verklaring. Lid 1 geeft namelijk aan dat er geen vormvereisten zijn. Lid 3 geeft aan dat de rechtsgevolgen van de verklaring pas kracht krijgen na ontvangst van de verklaring. Wanneer deze niet of niet tijdig ontvangen is dan is een uitzondering mogelijk indien de fout aan de ontvangende partij te verwijten is. Lid 4 stelt dat bij foutieve overdracht van de verklaring middels een tussen- persoon of middel een fout voor rekening van de verklarende komt, tenzij de ontvanger de wijze van overdracht had bepaald. Een verklaring kan volgens lid 5 worden ingetrokken wanneer de intrekking voor of gelijktijdig met de andere verklaring aankomt.

5.2. Onjuiste overeenkomsten

Onjuiste overeenkomsten kunnen twee gevolgen hebben voor de overeenkomst. Nietig en vernietigbare overeenkomsten. Bij nietig wordt de overeenkomst geacht nooit te hebben bestaan en alle gevolgen van de overeenkomsten behoren nooit plaats te hebben gevonden. Bij vernietigbare overeenkomsten zijn deze rechtsgeldig, tot het moment van vernietiging. Als vernietiging is uitgesproken zullen de gevolgen hiervan overeenkomstig zijn met die van nietigheid. Deze gevolgen staan ook in 3:53 BW.

5.2.1. Nietige overeenkomsten

Hier kan sprake van zijn bij een wilsontbreken in de zin van 3:33 BW jo. 3:34 lid 2 en 3:32 lid 2 BW of wanneer er niet aan de vormvereisten van 3:39 BW is voldaan. Overeenkomsten in strijd met de wet, goede zede of openbare orde zijn ook nietig volgens 3:40 BW. Hiermee wordt bedoeld dat de te verrichten handelingen, de inhoud van, of de strekking van de overeenkomsten in strijd moeten zijn met deze normen. In speciale gevallen van 3:43 BW kan er ook nietigheid plaats vinden. Ten slotte moet een overeenkomst ook bepaalbaar zijn volgens 6:227 BW.

5.2.2. Vernietigbare overeenkomsten

In gevallen van wilsgebreken is een overeenkomst vernietigbaar. Let wel op dat in de 3:44 BW genoemde gevallen dat deze door een derde veroorzaakt moeten zijn volgens lid 5. Voor vernietiging is geen rechter nodig, volgens 3:49 BW.

Er zien vier soorten wilsgebreken:

  • Bedreiging (3:44 lid 2 BW)
  • Bedrog (3:44 lid 3 BW)
    Het verschil tussen bedrog en dwaling is dat er sprake moet zijn van opzet. Dit dient dus bewezen te worden, dit heeft geen andere gevolgen dan dwaling. Mogelijkerwijs dat het invloed kan hebben bij de beoordeling van de hoogte van de onrechtmatigheid.
  • Misbruik van omstandigheden (3:44 lid 4 BW)
    Wanneer er omstandigheden zich voordoen dat je eigenlijk wel de overeenkomst aan moet
  • Dwaling (6:228 BW)
    Bij dwaling is er een overeenkomst gesloten onder onjuiste voorstellingen. Deze overeenkomsten zijn vernietigbaar in drie gevallen. Een uitzondering op deze drie gevallen zijn wanneer dwaling berust op een toekomstige omstandigheid of wanneer deze gezien de aard van de overeenkomst naar verkeersopvattingen voor rekening van de dwalende behoort. Hier hoort het arrest Booy/Wisman bij, hier in is bepaald dat een onjuiste voorstelling pas in de toekomst naar boven zou komen, maar hier al sprake van zou zijn ten tijde van de overeenkomst, dat men niet op die toekomstige uitzondering kan beroepen.

    • Sub a: Wanneer de wederpartij verkeerd heeft ingelicht, mits deze mocht aannemen dat deze geen invloed zou hebben op het sluiten van de overeenkomst.
    • Sub b: Wanneer de wederpartij een spreekplicht had om de onjuiste voorstelling uit de wereld te helpen indien hij wist dat hier sprake van was of dit behoorde te weten en dit invloed zou hebben over de totstandkoming van de overeenkomst. Hier hoort het arrest van Geest/Nederlof Hier in is bepaald dat het spreekplicht voor onderzoeksplicht gaat.
    • Sub c: wanneer beide partijen een onjuiste voorstelling hadden, tenzij de wederpartij in het geval dat hij het wist niet had hoeven te begrijpen dat dit invloed zou hebben op de totstandkoming van de overeenkomst.
  • Handelingsonbekwaamheid bij een meerzijdige rechtshandeling (3:32 BW)

6. Inhoud overeenkomsten & tekortkomingen (wanprestatie)

6.1. Inhoud overeenkomsten

In eerste instantie bepaald de overeenkomst zelf de inhoud. Partijafspraken staan voorop. Wanneer iets niet gedekt is door de overeenkomst, dan pas komt de wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid(R&B) om de hoek kijken. Zie ook 6:248 BW. Al moet men niet vergeten dat 6:2 BW stelt dat men altijd zich redelijk en billijk moeten gedragen. Als men over algemene voorwaarden spreekt, zie dan artikelen 231 t/m 247 boek 6 BW.

6.1.1. Niet altijd zuivere taalkundige uitleg

Maar door het Haviltex arrest is de uitleg van een overeenkomst veranderd. De Hoge Raad heeft namelijk bepaald dat niet enkel de zuivere taalkundige uitleg voldoende is, op de eerste plaats staat namelijk de bedoeling van een beding. Hierbij is van belang wat de partijen in redelijkheid aan een bepaling mocht toekennen en van elkaar verwachten. Hierbij kan het van belang zijn tot welke kringen een partij behoort en hoeveel rechtskennis een deze bezit.

6.1.2. Wel taalkundige uitleg

Een beperking op het Haviltex arrest is ontstaan door het arrest Meyer/Pont Meijer. Hier is bepaald dat onder omstandigheden wel de taalkundige uitleg wel doorslaggevend mag zijn. Er moet in casu sprake zijn van dat de betwiste clausule onderdeel is van een schriftelijk, groot en getailleerd contract. Ook moeten de partijen grote ondernemingen zijn die deskundigen hebben ingeschakeld waarbij er ook over de clausule uitvoerig is onderhandeld.

6.1.3. Beperkende werking

Een ander arrest, Saladin/HBU, heeft bepaald dat een regel een beperkende werking kan verkrijgen indien deze naar maatstaven van R&B onaanvaardbaar zijn. Hierbij is van belang: de schuld van een partij en het gewicht van diens belangen. De aard en inhoud van de overeenkomst. De maatschappelijke positie en de verhoudingen tussen de partijen. De manier waarop het beding tot stand is gekomen en in welke mate de wederpartij hiervan bewust was. Wanneer iets onaanvaardbaar is hangt altijd af van de feiten, het betreft meestal dan verzuim of bewuste roekeloosheid. Dit is dus ernstig beperkt. Bijvoorbeeld hulppersonen vallen hier niet onder. Hierdoor zal je in zulke gevallen een werknemer direct moeten aanspreken, welke zich niet kan beroepen op dit beding indien er dus sprake is van verzuim of bewuste roekeloosheid. Zie ook het arrest Kuunders/Swinkels. In deze gevallen kan er dan niet op bijvoorbeeld een exoneratiebeding worden bedongen. Hierbij is van belang hoe laakbaar het verzuim is, wat hiervan de gevolgen waren en of deze schade eventueel verzekerd is.

6.1.4. Onvoorziene omstandigheden

Wanneer door onvoorziene omstandigheden het niet meer R&B is dat een overeenkomst wordt uitgevoerd zoals staat beschreven, dan kan de rechter met grote terughoudendheid deze eventueel wijzigen of de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden. Instandhouding van de overeenkomst mag wegens de R&B niet verwacht worden.  Maar onvoorziene omstandigheden in de persoonlijke sfeer, zelf veroorzaakt of wanneer het een speculatief onderwerp betreft, dan zal men daar niet aan toe komen. Maar, dit moet wel worden verzocht bij een rechter. Wanneer een overeenkomst leemte betreft kan dit worden gezien als onvoorzien. Het moet in beginsel wel om omstandigheden die zich in de toekomst afspelen. Dit staat allemaal in 6:258 BW. Maar let op, lid 2 maakt een uitzondering op veranderingen in prijswijzigingen en valutawaarden.

6.2. Tekortkomingen & Wanprestatie

Een tekortkoming kan verschillende gevolgen hebben. De ernst van de tekortkoming en de omstandigheden bepalen welke gevolgen mogelijk zijn. Maar eerst is van belang om te bepalen wat een tekortkoming is.

6.2.1. Tekortkoming

Er kan al snel sprake zijn van een tekortkoming. Kort gezegd is er sprake van een tekortkoming bij één van de volgende gevallen:

  • Niet nakomen van verbintenis;
  • Het niet tijdig nakomen van een verbintenis;
  • Slechts gedeeltelijk een verbintenis nakomen;
  • Onjuist een verbintenis nakomen.

6.2.2. Nakoming

Wanneer er geen tijden zijn afgesproken voor nakoming dan kan men de wederpartij tot nakoming vorderen middels 6:38 BW.

Iemand kan ook bevrijdend nakomen door aan een andere schuldeiser te “betalen”(hoeft geen geld te betreffen). Hierbij moet de originele schuldeiser wel bij gebaat zijn. Wanneer je per ongeluk betaald aan iemand die niet bevoegd was deze te innen kan aan de werkelijke schuldeiser worden tegengeworpen dat hij bevrijdend heeft betaald, mits er in redelijkheid mocht worden aangenomen dat betaling aan de onbevoegde gerechtigd was. Zie ook de artikelen 6:32 en 6:34 BW.

6.2.3. Schadevergoeding

Voor schadevergoeding is kort gezegd wanprestatie nodig. Er moet dus sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming. Zie ook 6:74 BW. Extra eisen hierbij zijn dat er ook sprake dient te zijn van schade en dat er een causaal verband is tussen de tekortkoming en de schade. Zie ook 6:98 BW.

Lid 2 van 6:74 maakt er wel een uitzondering op voor gevallen wanneer nakoming niet blijvend onmogelijk is. Dan is verzuim namelijk vereist.

In 6:95 is bepaald wat onder schade kan vallen. Kort gezegd betreft dit vervangings-, vertragings– of bijkomende schade.

6.2.3.1. Toerekenbaarheid (wanprestatie)

Volgens 6:75 BW is voor toerekenbaarheid vereist dat er sprake moet zijn van of schuld, of wanneer de wet dit bepaald, of naar aanleiding van een rechtshandeling of volgens verkeersopvattingen. Volgens 6:76 en 6:77 BW vallen hulppersonen en zaken voor rekening van de schuldenaar.

6.2.3.2. Verzuim

Artikel 6:81 BW stelt dat er sprake is van verzuim nadat een prestatie opeisbaar is worden en wanneer men voldoet aan 6:82 of 6:83 BW. 6:82 BW stelt dat een schriftelijke ingebrekestelling vereist is waarbij de schuldenaar een redelijk termijn krijgt. Na dit termijn is de schuldenaar in beginsel in verzuim. Artikel 6:83 BW betreft wanneer er automatisch verzuim intreedt. Hier kan sprake van zijn in gevallen van een fataal termijn ( bijv. X zou vóór de winter (winter is coming J) het dak repareren), wanneer uit een mededeling blijkt dat de schuldenaar zal tekortschieten of wanneer er sprake is van een onrechtmatige daad of een schadevergoeding en deze verbintenis niet nakomt.

6.2.4. Ontbinding

Volgens 6:265 BW kan iedere tekortkoming in de nakoming reden zijn voor ontbinding. Mits de ontbinding in verhouding staat met diens gevolgen en de tekortkoming. Dit is ook bepaald in het arrest Fisser/Tycho.Let op dat toerekening hierbij niet vereist is maar dat dit wel enkel mogelijk is bij wederkerige overeenkomsten (staat in afdeling 5 genaamd wederkerige overeenkomsten). Een kleine beperking hier bovenop is verjaring volgens 3:311 BW.

6.2.4.1. Gevolgen ontbinding

Volgens 6:269 BW heeft ontbinding geen terugwerkende kracht. Wel wordt er indien er al is gepresteerd volgens 6:271 BW ongedaanmakingsverbintenissen in het leven geroepen. 6:272 behelst meer informatie hierover. Ook kan er bij ontbinding nog schade zijn, dit wordt opgelost middels 6:277 BW.

6.2.5. Opschorting

Volgens 6:52 en 6:262 BW is opschorting van een verbintenis mogelijk indien de schuldeiser een samenhangende verbintenis nog niet is nagekomen. Artikel 262 ziet enkel toe op wederkerige overeenkomsten terwijl artikel 52 dit niet doet.

7. Verbintenissen uit de wet & schadevergoeding

7.1. Onrechtmatige daad

Je zult het vast wel uit je hoofd kennen maar de onrechtmatige daad staat beschreven in artikel 6:162 BW. Er moet sprake zijn van iets onrechtmatigs, het moet toerekenbaar zijn (lid 3) en tot slotte moet de geschonden norm ook strekken (relativiteit) tot de bescherming in kwestie volgens 6:236 BW.

Onrechtmatig is: inbreuk op een subjectief recht van een ander, het doen of nalaten in strijd der wet of datgeen wat in strijd is met het ongeschreven recht of wat volgens het maatschappelijke verkeer is betaamt. Hieronder valt ook risicoaansprakelijkheid (als wet).

Een belangrijk arrest hierbij is het Kelderluik arrest. Hierbij kan gevaarzetting onrechtmatig zijn. Hierbij dient er gekeken te worden naar:

  • De mate waarin men in die omstandigheid mogelijkerwijs niet op let;
  • De kans dat er een ongeval kan ontstaan;
  • De ernst van de gevolgen;
  • Hoe bezwaarlijk om voorzorgsmaatregelen te treffen.

Rechtvaardigingsgronden (overmacht, noodweer, wettelijk voorschrift en ambtelijk gegeven bevel) heffen onrechtmatigheid op. Ontoerekenbaarheid staat niet hiervoor in de weg, wel moet er in dat geval sprake zijn van een doen en niet enkel nalaten.

Een andere uitzondering hierop is de ongelukkige samenloop van omstandigheden-leer. Hier was sprake van in het arrest Jansen/Jansen.

7.2. Kwalitatieve aansprakelijkheid

Met kwalitatieve aansprakelijkheid wordt bedoeld wanneer je aansprakelijk bent (voor een onrechtmatige daad) wegens een ander. Dit is dwingend recht.

7.2.1. Kinderen

6:169 BW stelt dat ouders aansprakelijk zijn voor hun kinderen. Er dient enkel een kleine nuance gemaakt te worden. Ouders zijn in beginsel aansprakelijk indien het kind de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt. Van veertien tot zestien zijn de ouders slechts aansprakelijk wanneer hen de gedragingen van het kind verweten kunnen worden.

7.2.2. Ondergeschikten

Volgens 6:170 BW ben je verantwoordelijk voor een ondergeschikte (werknemer). Er dient wel sprake te zijn van een fout, ondergeschikte, zeggenschap en er moet een verband zijn tussen de gedraging en het werk. Er kan nog wel een afhandeling plaats vinden tussen de werkgever en de werknemer, maar een derde staat hier buiten.

Het arrest Partycentrum is hierbij van belang. Hierin is bepaald dat 6:170 BW ook toegepast kan worden buiten bedrijfsvoering indien dit naar omstandigheden wordt verlangd. In dit geval was er een bedrijfsuitje waarbij met enkel werknemers. De werkgevers hebben de werknemer die een ongeluk veroorzaakte niet geprobeerd tegen te houden en het uitje was gedaan voor de saamhorigheid van het bedrijf.

7.2.3. Dieren

Ook bezitters (lees: geen houder/eigenaar) van dieren kunnen aansprakelijk gesteld worden volgens 6:179 BW. Hierbij is van belang dat het dier zelfstandig de schade heeft aangericht, tenzij de bezitter niet aansprakelijk zou zijn geweest als deze het commando gaf.

7.3. Overige verbintenissen

7.3.1. Zaakwaarneming

Er is sprake van zaakswaarneming volgens 6:198 BW wanneer iemand willens en wetens op redelijke grond de belang(en) van een ander(en) zonder dat hij hiertoe bevoegd is krachtens een rechtshandeling of een andere wet.

Uiteraard is er niet zomaar sprake van zaakswaarneming. Hoe persoonlijker een keuze om een zaak te waarnemen hoe minder snel er sprake is van een redelijke grond. Ook speelt proportionaliteit een rol, je mag er niet in doorschieten. Je mag bij lekkage geen gouden dak bestellen, het gaat er om dat het redelijk is.

Er kan geen zaakswaarneming zijn in gevallen van bewaarnemening (7:600 BW), een volmachtige handeling (3:60 BW) of wanneer er sprake is van een ouder/kind of curator/curandus relatie.

Bij zaakswaarneming kan volgens 6:201 de waarnemer rechtshandelingen verrichten namens de ander zover het in het belang van de ander is. Maar dit dient wel met zorg en redelijkheid te gebeuren volgens 2:199 lid 1 BW. Ook mag je hier niet zomaar mee stoppen, je hebt een voortzettingsplicht en een verantwoordingsplicht. Het is overigens niet van belang of de waarneming slaagt of dat de belanghebbende tevreden is.

De waarnemer kan schade vergoedt krijgen middels 6:200 BW lid 1. Volgens lid 2 kan dit extra wanneer iemand handelt in uitoefening van een beroep of bedrijf.

7.3.2. Onverschuldigde betaling

Wanneer je aan een ander een betaling verricht (prestatie) zonder dat er een rechtsgrond voor is (wet / overeenkomst) kan er sprake zijn van een onverschuldigde betaling volgens 6:203 BW. Je hebt dan recht op teruggave van het goed, terugbetaling of ongedaan making, geen schadevergoeding.

Er is wel schadevergoeding mogelijk indien ongedaan making van de betaling onmogelijk is, mits dit aan de ontvanger is toe te rekenen volgens 6:74 BW.

Wanneer naar aard van de betaling ongedaan making onmogelijk is, kan er vergoeding plaats vinden mits er aan bepaalde voorwaarden voldaan is. De ontvanger dient namelijk verrijkt te zijn, de prestatie is aan hem toe te rekenen en de ontvanger had een tegenprestatie toegezegd.

7.3.3. Ongerechtvaardigde verrijking

Om met de deur in huis te vallen, ongerechtvaardigd betekent niet ongegrond. Een voorbeeld die hierbij werd gegeven is wanneer men een waardevol voorwerp vindt en omsmelt tot iets nieuws. Deze persoon wordt de eigenaar hiervan dankzij 5:16 lid 2 BW. Maar het voorwerp bleek van een ander te zijn. Er is dan sprake van een rechtsgrond (namelijk 5:16 lid 2 BW) maar het is niet rechtvaardig.

Er zijn wel eisen volgens 6:212 lid 1 BW. De verrijking moet het gevolg zijn van de verarming van een ander terwijl dit naar redelijkheid onrechtvaardig is.

7.4. Omvang schadevergoeding

Bij schadevergoeding zijn er een drietal aspecten die bekeken dienen te worden. Wat voor soort schade is er, is er sprake van een voordeelstoerekenening en is er sprake van eigen schuld?

6:95 BW kent 2 soorten schade. Vermogensschade en (6:96 BW) en Immateriële schade (6:106 BW).

Voor immateriële schade is het Taxibusje arrest van belang. Hierin is bepaald dat voor in aanmerking komen van schockschade vereist is dat de betrokkene rechtstreeks met het ongeval geconfronteerd wordt en dat dit geestelijk letsel teweeg heeft gebracht wat door de psychiatrie erkend is. Met rechtstreeks wordt bedoeld, niet indirect, in de casus was het ongeluk al voltrokken maar ze het slachtoffer werd wel rechtstreeks geconfronteerd doordat ze direct na het ongeluk alle sporen hiervan, met alle walg van dien, mocht ervaren.

Bij voordeelstoerekening van 6:100 BW dient er gekeken te worden naar of de benadeelde tevens voordeel heeft verkregen dankzij de schade. Dit dient in acht worden genomen bij vaststelling van de hoogte van de schade.

Volgens 6:101 BW kan eigen schuld ook een beperkende factor zijn bij vaststelling van schade. Hierbij dient er wel gekeken te worden naar of er een causaal verband is tussen de schuld en de schade en of het ook billijk is om deze eigen schuld toe te rekenen.

Slot

Leuk dat je deze samenvatting hebt gelezen. Hopelijk heeft deze samenvatting je geholpen. Wees er wel van bewust dat dit een samenvatting is en mogelijk dus incompleet. Succes met je tentamen en/of veel plezier met de vergaarde kennis!

 

Send this to a friend